Bestaat de democratie nog in Nederland?

Nederland heet een democratische rechtsstaat te zijn. Laten we voor het gemak onderscheid maken tussen rechtsstaat en democratie. Dan hebben we een meer rechtsstatelijke kant en een meer politieke kant van de democratische rechtsstaat. Die eerste, rechtsstatelijke kant gaat over zaken als vrijheid van meningsuiting, vergadering en protest. Daar horen een vrije pers en instituties als vakbonden en NGO’s als Greenpeace bij. De andere kant gaat over politiek. Dan gaat het over vrije verkiezingen, vrijheid tot het oprichten van politieke partijen en openheid van besluitvorming, oftewel de controleerbaarheid van de regering. De politieke kant gaat over wat we vaak met ‘democratie’ aanduiden. Met de rechtsstatelijke kant is het in Nederland goed gesteld. We kunnen alles roepen wat we willen en dat doen we ook. Dat het effect hiervan te wensen overlaat heeft te maken met het disfunctioneren van die andere kant: de democratie, of de politiek. Het ongenoegen hierover, het meest prominent naar voren gebracht door de Occupy beweging, groeit in Europa en Nederland als gevolg van economische onzekerheid. In dit stuk ga ik in op de politieke kant van democratie, waarin ik Nederland als casus neem en af en toe een noodzakelijk zijpad bewandel genaamd Europa. Wanneer ik in het vervolg spreek over democratie dan doel ik slechts op de politieke component daarvan.

Nederland kreeg in 1848 de grondwet die ons huidige politieke bestel heeft bepaald. Het waren de jaren van Thorbecke, de metselaar van ons bestel. Eind negentiende en begin twintigste eeuw kwam in Nederland het fenomeen politieke partij op. In 1917 werd een deal gesloten tussen de confessionelen en de liberalen. Er werd algemeen kiesrecht ingevoerd, wat de liberalen wilden, en de financiering voor openbaar en bijzonder onderwijs werd gelijk getrokken – een wens van de confessionelen.

Daarmee waren de kaarten voorlopig geschud. Een lange periode van verzuiling trad op. De achterbannen van de vier richtingen stemden trouw op ‘hun’ politieke partij en de top verdeelde op haar beurt de belangrijke banen in het land evenredig onder de elite van de achterban. De katholieken, protestanten, sociaal-democraten en liberalen hadden hun tentakels tot diep in de maatschappij, via vakbonden, omroepen en schoolsystemen. Het gevolg was dat men elkaar simpelweg niet tegen kwam in het openbare leven. De uitspraak ‘twee geloven op een kussen, daar slaapt de duivel tussen’ past bij deze tijd. Want onbekend maakt onbemind. Eind jaren zestig begon dit alles te wankelen en in de jaren zeventig viel het systeem verder uiteen. Dat bood ruimte voor nieuwe politieke partijen zoals D66, de Boerenpartij en DS’70. De vraag is of er tot die tijd sprake was van een levendig democratisch debat. Politiek was iets van de hoge heren in Den Haag en daar bemoeide de gewone sterveling zich niet mee. Men had ook geen middelen om dit te doen, de sociale media bestonden nog lang niet. De heren leken het in de Tweede Kamer soms fundamenteel oneens te zijn en de stoelendans om het pluche van de regering was er elke verkiezing opnieuw. Uiteindelijk kwam men er wel uit, al of niet met een advies van een van de vele officiële adviesorganen en -raden zoals de sociaal economische raad (SER). Van een publiek debat was echter nauwelijks sprake. De kranten en omroepen waren immers veelal gelieerd aan politieke stromingen. Het debat vond daarom plaats binnen de stromingen zelf. Als u ooit eens op een ledenvergadering, congres of andere officiële bijeenkomst van een politieke partij bent geweest dan weet u dat gewone leden geen of een niet te meten invloed hebben op de uitkomst van intern debat. Politieke partijen hadden toentertijd meer leden en meer actieve leden, maar ook toen was verreweg de meerderheid van het electoraat geen lid van een politieke partij.

‘Is dit erg?’, kun je je afvragen. Ja, want het heeft iets incestueus en het nadeel daarvan is dat dit niet altijd de kwaliteit van het nageslacht ten goede komt. Een gesloten, naar binnen gekeerde organisatie - en zo kunnen Nederlandse politieke partijen getypeerd worden - heeft de neiging vooral veel tijd in zelfbehoud te stoppen en indringers (en nieuwe ideeën) zoveel mogelijk buiten de deur te houden. Een nieuwe koers kan immers het kaartenhuis laten schudden met alle gevolgen van dien.

De jaren zeventig kunnen omschreven worden als een periode van polarisatie. Nieuwe partijen kwamen op, het debat was heftig en links en rechts stonden lijnrecht tegenover elkaar. Het waren de jaren waarin straatprotest opkwam en grote demonstraties het nieuws haalden. Dat veranderde onder premier Lubbers in de jaren tachtig. Er moest bezuinigd worden en er was geen tijd voor nonsens, de handen moesten uit de mouwen. In de jaren negentig profiteerde Nederland op bewonderenswaardige wijze van de groei van de wereldhandel. President Clinton kwam naar Nederland om te kijken hoe die Wim Kok dat allemaal voor elkaar kreeg. Totaal onverwacht verstierde Pim Fortuyn echter het verkiezingsfeestje in 2001. De deregulering, schaalvergroting en uitbesteding van overheidstaken bleek niet bij iedereen in goede aarde te vallen. In 2007 barstte ook nog eens de financiële bubbel en bleek opeens dat Nederland in Europees verband allerlei financiële verdragen had gesloten waar we nu even niet op zaten te wachten.

Al met al genoeg redenen voor een stevig en fundamenteel publiek debat met politieke consequenties, zou je denken. Mijn conclusie is helaas een andere. Door een ongekende welvaart in met name de jaren negentig heeft het electoraat zich intellectueel in slaap laten sussen. We vertrouwen de politiek niet meer, maar we kunnen dit wantrouwen niet concretiseren. We voelen aan dat de bestaande politieke partijen schijntegenstellingen poneren, maar wat de echte tegenstellingen zijn weten we ook niet. We hebben het gevoel dat met de verdergaande overdracht van macht naar financiële instellingen als rating agency’s, via de omweg die de Europese Commissie heet, het laatste beetje democratie dat we hebben ons uit handen wordt geslagen. We kunnen het echter niet beetpakken en bestrijden en we zijn al helemaal niet in staat deze zorgen om te zetten in ideeën over alternatieve vormen van democratie binnen een geglobaliseerde samenleving.

We worden nu met de situatie geconfronteerd dat de erfgenamen van de eerste politieke partijen in Nederland uit de negentiende eeuw heden ten dage de dienst uitmaken in de regering. Dat is opmerkelijk omdat de groepen voor wie zij ooit opgericht zijn in die hoedanigheid niet meer bestaan of reeds zijn geëmancipeerd. De arbeidsklasse bestaat niet meer. Er zijn nieuwe groepen ontstaan, zoals de hoger en lager opgeleiden. De ‘oude’ partijen als PvdA, VVD en CDA weerspiegelen deze nieuwe tegenstellingen echter zeer beperkt. De VVD en de PvdA voeren als regeringspartijen een toneelstuk op, maar het stuk wordt niet door hen zelf geschreven of zelfs maar geregisseerd. Dat gebeurt door een nieuwe voorspelling van de Europese Bank, het International Monetair Fonds, de Wereldbank of gewoon door een willekeurig - en commercieel - rating bureau.

Opnieuw kan de vraag gesteld worden of dat erg is. Of het erg is dat we geen democratische handvatten hebben om ons nationaal beleid te sturen. Als je gelooft dat de heren in Brussel of elders op een Europees- of wereldpodium het beste met ons voor hebben en als filosofen-koningen over ons mogen regeren niet. Als je er van overtuigd bent dat democratische waarden an sich waardevol zijn omdat ze iets zeggen over de mate van beschaving, dan is het tijd om je zorgen te maken. We kunnen nog best een paar jaar voortkabbelen, wellicht trekt zelfs de economie weer wat aan en kunnen we een nieuwe auto kopen. Op een dag zullen we echter moet erkennen dat stemmen geen nut meer heeft en protesteren ook niet meer. Want wat heeft protesteren voor zin als de zittende regering geen regie heeft over haar eigen beleid?