Bij beschaving horen dierenrechten

Kuikenversnipperaar. Laat dit woord eens goed op je inwerken. Kuiken-versnipperaar. Het is een centraal werktuig in een van de duisterste processen van de pluimveesector. Productie en vernietiging van leven gaan hier hand in hand. Alleen al in Nederland zijn er jaarlijks zo’n 40 miljoen kuikentjes die vrijwel direct vanuit hun veilige ei de dood in worden gekatapulteerd. In de gehele EU zijn dat er maar liefst 300 miljoen. Deze lugubere, massale verkwisting van levens is slechts één van de vele huiveringwekkende aspecten van onze vee-industrie en geschiedt louter op basis van financieel-economische motieven. Waarom wordt dit nog steeds getolereerd in een land dat prat gaat op haar verlichte en ontwikkelde karakter?

bron afbeelding: Wikimedia Commons / Scratchcradle. CC-BY-SA-3.0

Eeuwenlang bestond de verhouding tussen mens en dier voornamelijk uit noodzaak. Tot aan halverwege de vorige eeuw leefde het overgrote deel van de Nederlandse bevolking in bittere armoede. Onze grootouders groeiden op in een situatie waarin enkele kippen, een varken en een koe het verschil betekenden tussen een karige voedselvoorziening en verhongering. De mensen konden zich nauwelijks luxe veroorloven en hadden hun kleine hoeveelheid vee hard nodig om te overleven. De eerste prioriteit van deze mensen was het in leven houden van zichzelf en hun kinderen.

Dat men in die tijd geen groot punt maakte van de omstandigheden waarin dieren vetgemest en tot voedsel verwerkt werden, hoeft niet te verbazen. En toch was het zo dat dit vee vaak veel betere leefomstandigheden kende dan de levende wezens die momenteel staan te wachten om te eindigen als belangrijkste component van een smakeloze hamburger in een Amerikaanse fastfoodketen. En hierin ligt de absolute absurditeit van dit vraagstuk dan ook verscholen. In een tijd waarin mensen zich nauwelijks luxe konden permitteren, hadden veel dieren een veel gelukkiger en gezonder bestaan dan in onze huidige tijd van smartphones, lcd-schermen en een overvloedige voedselvoorziening.

Aldous Huxley merkte al op dat technologische progressie ons slechts efficiëntere middelen verschaft voor onze eigen achteruitgang. De ontwikkeling van onze technologische en economische mogelijkheden heeft geen gelijke tred gehouden met die van onze mentaliteit. Tegenwoordig is de verhouding tussen mens en dier er al lang niet meer een van pure noodzaak. Onze veestapel overstijgt onze noodzakelijke vleesconsumptie ruim. In Europa produceren we veel te veel melk- en zuivelproducten. De Amerikanen slachten hun varkenspopulatie dermate massaal dat zij de markt nog verder verstoren. Zelfs met de ontwikkelingslanden inbegrepen eet de gemiddelde mens nog steeds te veel vlees. Deze enorme overproductie van dierlijke producten leidt ertoe dat ondertussen 30% van het ijsvrije aardoppervlak gebruikt wordt voor veeteelt. Dit heeft desastreuze gevolgen voor onze gezamenlijke watervoorziening, vervuilt onze leefomgeving op schokkende wijze en leidt tot gruwelijke situaties in de bio-industrie.

Alle moderne technologische mogelijkheden leiden ertoe dat we dieren op steeds grotere schaal kunnen houden. Onze toegenomen welvaart zorgt ervoor dat we ook steeds meer dierlijke producten kunnen consumeren. Tot nu toe is op geen enkel moment de redenatieslag gemaakt dat die toegenomen welvaart ons ook de verantwoordelijkheid geeft om op een humane wijze met deze dieren om te gaan. Onze voorouders zagen hun vee als een onderdeel van hun voedselvoorziening, maar hun intensieve interactie met deze dieren en de kleinschaligheid ervan leidden er wel degelijk toe dat zij er op een respectvolle wijze mee omgingen.

Tegenwoordig is er van kleinschaligheid absoluut geen sprake meer. De intensieve interactie tussen consument en dier is ook totaal zoek. Inmiddels verorberen we reusachtige hoeveelheden eieren, vlees en zuivel zonder na te denken hoe deze überhaupt tot voedselproducten zijn verworden. We zijn ons niet meer bewust van het dierlijke leed waarop onze voedselvoorziening is gebouwd. Het lot van dolfijnen in Harderwijk of één huismus in Leeuwarden brengt dit land in een collectieve staat van vervoering. Dezelfde mensen die hun krokodillentranen laten vloeien om deze individuele gevallen, die inderdaad zeer droevig zijn, laden de volgende dag hun winkelwagentjes weer vol met kiloknallers en plofkippen. Het zou te makkelijk zijn om dit als hypocriet te bestempelen. Het is veel eerder een teken van de vanzelfsprekendheid waarmee wij onze dierlijke producten tot ons nemen. We richten onze woede op individuele gevallen van onrechtvaardigheid en dierenmishandeling, maar negeren de grootschalige uitbuiting van dierenlevens in de bio-industrie.

In de afgelopen 50 jaar hebben we als mensheid een ongekende sprong voorwaarts gemaakt. We hebben onze welvaart kunnen inzetten ten behoeve van ruimtevaart, tal van technologische ontwikkelingen en een enorme investering in luxegoederen. We hebben echter nauwelijks geïnvesteerd in een enigszins fatsoenlijk bestaan voor de levende wezens die wij uiteindelijk in hapklare brokken op ons bord verwachten. We betalen zonder te morren enkele honderden euro’s voor een nieuwe smartphone, want die paar extra pixels zijn het toch echt wel waard. Zonder blikken of blozen leggen we duizenden euro’s extra neer voor lederen bekleding en andere overbodige luxe in onze auto’s. Maar iets meer betalen voor diervriendelijk geproduceerde levensmiddelen blijkt een brug te ver voor de doorsnee consument. Hier heeft de markt echt sturing nodig. In deze tijd kan het niet meer zo zijn dat ontelbaar veel levende wezens lijden onder een doorgeschoten concurrentiestrijd die de volledige veesector heeft verziekt.

Onze grootouders konden het zich niet veroorloven om hun vee in de meest diervriendelijke omstandigheden te laten leven, maar de toenmalige kleinschaligheid hield de excessen binnen de perken. Tegenwoordig kunnen we het ons als maatschappij makkelijk permitteren om wat meer te investeren in een waardig bestaan voor ons vee, maar we laten het na. Dat is merkwaardig, gegeven de oprechte betrokkenheid die veel mensen tonen met het lot van individuele dieren. Blijkbaar maken we die overweging niet als consument. Vandaar ook dat een vleestaks helemaal geen gek idee is. Als maatschappij moeten we nu eens collectief concrete stappen ondernemen om de leefomstandigheden van ons vee te verbeteren. Als dit gepaard gaat met een significante aanscherping van de wet- en regelgeving in de Europese veehouderij, kunnen we eindelijk ook op dit vlak eens een sprong richting échte beschaving maken.