De Kloof: De meeste dromen zijn bedrog

In aanloop naar de presentatie van het boekje van de Zomerschool op 26 januari, presenteert Jong WBS enkele essays van de deelnemers. Alle essays gaan in op het thema van de Zomerschool: De Kloof. Vandaag, Mikal Tseggai over misschien wel de meest significante kloof van dit moment, die tussen hoog- en laagopgeleiden.

bron afbeelding: Lucelia Ribeiro / Flickr / Children at school

Ik werd geboren in een multiculturele volksbuurt in Haarlem. Als twaalfjarig meisje ging ik gymnasium doen op een lyceum ver buiten mijn eigen buurt, met klasgenoten die waren opgegroeid in chique buurten waar mijn ouders in de vroege jaren negentig – toen zij net vanuit Eritrea in Nederland waren komen wonen - iedere ochtend bij zonsopgang de NRC bezorgden en kasten van huizen schoonmaakten. Op de basisschool had ik met twee laagopgeleide ouders een hoog ‘leerlinggewicht’ (een sociaal-economisch indicatiecijfer dat kinderen krijgen van het ministerie van OCW, waarmee een school aanspraak kan maken op subsidie voor eventuele achterstand) en woonde ik in een postcodegebied dat het ministerie van OCW beschrijft als een ‘impulsgebied’. Een klein rekensommetje leert dat de kans dat ik tienermoeder was geworden (30,66% van de tienermoeders in Nederland is van niet-Westerse afkomst) groter is dan de kans dat ik zou studeren aan de Universiteit Leiden (de Leidse universitaire studentengemeenschap bestaat voor ongeveer 10% uit studenten met een migrantenachtergrond). Toch studeer ik daar en is het mij gelukt ‘op te klimmen’. Ik heb geluk gehad, want in het Nederland van 2016 bepaalt het opleidingsniveau van je ouders, de plek waar je wieg stond of je afkomst nog altijd voor een groot deel hoever je kunt komen op de maatschappelijke ladder. Ik droom van een Nederland waarin Fleur en Floris uit Aerdenhout net zoveel kans maken om op de universiteit terecht te komen als Kevin en Kimberly uit Amsterdam Noord. Dat is waarom ik geloof in sociaaldemocratie, met haar idealen als gelijkheid, verheffing en solidariteit. Dat is waar ik van droom, maar zijn de meeste dromen geen bedrog?

Minister van OCW Jet Bussemaker presenteerde vorig jaar haar Strategische Hoger Onderwijsagenda en haar ideale Hoger Onderwijs in 2025. Er kwamen veel zaken voorbij die me aanspraken; kleinere werkgroepen, meer docenten en meer aandacht voor persoonlijke ontwikkeling. Ik miste, als sociaaldemocraat, echter één belangrijk aandachtspunt: het toegankelijk houden van het hoger onderwijs voor studenten uit alle lagen van de samenleving en het gebruik van de diversiteit in de Nederlandse samenleving in de collegezaal. Onderzoek vertelt ons dat de ongelijkheid in Nederland groeit en dat de kloof tussen laag – en hoogopgeleiden steeds groter wordt: opleiding bepaalt in steeds grotere mate ons leven en daarmee ook dat van ons gezin en onze kinderen. De Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling spreekt zelfs van een ‘nieuwe verzuiling’, waar niet ideologische overtuiging maar je opleiding de inrichting van je (sociale) leven bepaalt.

Ik denk dat we er in 2025 achter gaan komen dat de Strategische Onderwijsagenda van minister Bussemaker misschien wel goed heeft uitgepakt, maar niet voor iedereen. De kloof en sociale ongelijkheid tussen hoog- en laagopgeleid zal alleen maar toegenomen zijn. We zullen dan met een oplossing moeten komen willen we ongelijkheid en de kloof tussen laag- en hoogopgeleid af laten nemen. Het probleem van ongelijkheid, een kloof tussen hoog- en laagopgeleid en ongelijke kansen is niet een probleem dat makkelijk op te lossen is. Ik ben echter van mening dat goed onderwijs dat toegankelijk is voor iedereen de belangrijkste oplossing voor deze maatschappelijke uitdaging vormt; met goed en toegankelijk onderwijs krijgt iedereen de kans om hogerop de maatschappelijke ladder te komen en is sociale en intergenerationele mobiliteit niet alleen weggelegd voor de happy few. Niet alleen het hoger onderwijs heeft dus een strategische agenda nodig, maar ook juist het beroepsonderwijs zal aanzienlijk verbeterd moeten worden om ervoor te zorgen dat ook studenten met een beroepsopleiding goed voorbereid de arbeidsmarkt op gaan en kans maken op een fijne baan zodat ze hogerop de maatschappelijke ladder terecht komen en ruimte hebben voor persoonlijke ontwikkeling. Ook zouden alle kinderen op de basisschool dezelfde begeleiding moeten krijgen en moet de kwaliteit van het Nederlandse basisonderwijs meer gelijkgetrokken worden. Er zou dus geen verschil moeten zijn tussen de kwaliteit van een school in het Gooi of een school in de Haagse Schilderswijk. Dit draagt allemaal bij aan een toegankelijker en gelijkwaardiger onderwijs, waardoor de kloof tussen hoog- en laagopgeleid ook op sociaaleconomisch gebied af zal nemen en intergenerationele mobiliteit steeds vaker realiteit kan worden. Hiermee komt er misschien dan toch één sociaaldemocratische droom uit: de droom van verheffing.