De nieuwe koers van de sociaal-democratie in Europa

Donderdag 31 januari vond in De Balie het debat ‘Rondgang langs de toekomst van Europa’ plaats. Aanvankelijk met twee sociaal-democraten (Thijs Berman PvdA en Katheen van Brempt SP.A), een ‘groene’ (Phillipe Lamperts Ecolo) en een liberaal.

Het liberale Tweede Kamerlid Han ten Broeke moest op het laatst verstek laten gaan vanwege - o ironie - een motie van de SP over de Fyra en een mogelijke stemming. Daar zaten ze dan, drie Europarlementariërs, op drie wat ongemakkelijk hoge krukken voor een half volle zaal. Klaar om over de toekomst van Europa in gesprek te gaan met het publiek.

In het oog van de Europese crisis moeten de sociaal-democraten opstaan voor een sociaal Europa. Europa kan zonder een sociaal gezicht niet voortbestaan, aldus Thijs Berman. Een aanname die liberalen als Han ten Broeke bestrijden. Middels een telefonische bijdrage bepleitte hij een Europa dat zich richt op het versterken van de vrije markt door het verminderen van regels en bureaucratie, waardoor de dienstenrichtlijn nu eens echt goed doorgevoerd kan worden. Sociaal-democraten doorzien nog steeds niet de impact van het ‘nee’ tegen de Europese grondwet in 2005. Men is niet tegen Europa, maar men is tegen een Europa dat zich opdringt aan mensen en één scenario voorhoudt: meer Europa.

Europa bevindt zich niet alleen in de ergste economische crisis sinds de Tweede Wereldoorlog, de sociaal-democraten delen in de malaise door juist nu hun ideologische koers in Europa ter discussie te stellen. De sociaal-democraten zijn te lang blijven hangen in het paradigma van Europa als een vrije markt, waaruit de rest als vanzelf zou volgen. In tijden van economische voorspoed klaagt er niemand. Dat de ongelijkheid toenam was vervelend, dat er steeds meer superrijken kwamen was wat ongemakkelijk, maar er bleef genoeg over om in ieder geval een deel van de spreiding van kennis, macht en inkomen te realiseren. Een deel, want deze drieluik van de sociaal-democraten is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Men kan het inkomen redelijk verdelen en goede kansen in het onderwijs bieden (alhoewel de nadruk altijd op hoger opgeleiden lag), maar als men de macht ongelijk verdeelt gaat het op een gegeven moment schuren. Dat moment breekt aan wanneer het economisch minder gaat. De banken en bankiers zijn gered, maar de sociale zekerheid wordt uitgekleed.

De Europese Unie is het toonbeeld van ongelijke machtsverdeling. Het vergt een kleine studie om te begrijpen welke officiële instellingen zich bezighouden met Europees beleid en wetgeving, maar als je dat als burger hebt uitgezocht weet je in ieder geval zeker dat je invloed nihil is. Wie weet immers in welke partijen de Nederlandse Europarlementariërs opgaan en wat hun beleid is? En de Europese Commissie, die het parlement zou moeten controleren, wordt wel eens gekscherend het secretariaat van de raad van ministers genoemd. Geen burger weet wie erin zit, de commissie representeert niet de stemverdeling in het parlement en het wordt praktisch nooit weggestuurd. Tegelijk is het voor multinationals relatief gemakkelijk toegang te verkrijgen tot de commissie of het parlement. Dat laatste is in Nederland niet anders, maar daar kunnen de regerende partijen wel de volgende verkiezing naar huis gestuurd worden. Daardoor blijft men toch wat terughoudend in het weggeven van cadeautjes.

De sociaal-democraten willen het wel graag anders. Ze lopen alleen bij aanvang al tegen praktische problemen aan. De spreiding van kennis, macht en inkomen is gestoeld op drie pijlers: onderwijs (kennis), macht (democratisering) en inkomen (belastingen en sociale zekerheid). Onderwijs kan de EU stimuleren en in zekere mate sturen, democratisering wil niet echt vlotten op Europees niveau en belastinghervormingen en sociale zekerheid zijn grotendeels nationale aangelegenheden. Daarnaast hebben ze te kampen met een meerderheid aan liberalen en ‘volkspartijen’ in het parlement.

Praktische ideeën zijn er ook. Euro-obligaties zouden voor gedeelde smart zorgen, maar daar zitten de Noordelijke (rijke) landen niet op te wachten. Belastingontduiking (van grote bedrijven) zou aangepakt moeten worden, maar lidstaten worden tegen elkaar uitgespeeld. Er is een grens bereikt aan wat aan bezuinigingen van burgers gevraagd kan worden, maar de drie procent staat niet ter discussie.

Dromen zijn er ook. Europa moet het continent blijven waar de kwaliteit van leven hoog in het vaandel staat en sociale zekerheid hoort daarbij. De kosten voor deze sociale zekerheid stijgen echter, terwijl de bevolking vergrijst. Europa moet de zekerheid van een fatsoenlijk inkomen garanderen, terwijl een kwart van de bevolking onder de armoedegrens leeft, er een race to the bottom plaatsvindt op inkomen en arbeidsvoorwaarden en China groeit.

Phillipe Lamperts verwoordde het raak: de sociaal-democraten zijn het intellectueel leiderschap kwijtgeraakt aan de liberalen. De sociaal-democraten moeten dit terug verdienen en snel ook. Want de spreiding van kennis, macht en inkomen is meer dan een moreel standpunt, het is het fundament onder een stabiele samenleving. Een maatschappij met grote ongelijkheid en corruptie, zoals Griekenland, trilt als democratische samenleving bij economische neergang. De opkomst van de fascistische Gouden Dagenraad partij is hiervan het meest pijnlijke voorbeeld.

Het intellectueel leiderschap kan de sociaal-democraten echter alleen gegund worden. Ze moeten het verdienen bij de kiezer. Een mea culpa naar de kiezer over hun grote naïviteit in tijden van voorspoed is een goede eerste stap. Een tweede noodzakelijke stap is het terug brengen van de balans tussen de spreiding van kennis, macht en inkomen. De burger moet meer invloed krijgen. Niet via populistische referenda, maar via vergaande Europese democratisering. Dat moet de Europese agenda van de sociaal-democraten bepalen. Bij de volgende Europese verkiezingen moet er één Europese sociaal-democratische partij zijn, met één programma waarop men in heel Europa kan stemmen.