De terugkeer van oud-links en Aboutaleb

‘Oud-links’. Die term heb ik inmiddels al jaren niet meer gehoord, maar hij kwam onlangs zomaar weer naar boven borrelen uit de diepste krochten van mijn hersenen toen ik de Pauw en Jinek aflevering van 10 maart met als gasten o.a. Thierry Baudet van Forum voor Democratie, Frits Wester, Dolf Jansen en burgemeester Ahmed Aboutaleb van Rotterdam zag. Waar Thierry Baudet in een voor hem zeer ongunstig krachtenveld murw werd gebeukt, ontpopte Aboutaleb zich als good cop die soeverein begrip kon tonen voor de ‘intellectuele exercitie’ van Baudet. De Forum-voorman die zichzelf regelmatig vergelijkt met Pim Fortuyn werd door de presentatoren op dezelfde manier in een hoek gezet als zijn voorbeeld destijds, terwijl de sympathieke Aboutaleb bijna direct op het schild gehesen werd als nieuwe PvdA-leider. Frappant is dat je Aboutaleb kunt zien als een vertegenwoordiger van een stroming in de PvdA die onder leiding van Wouter Bos zich in de jaren na Fortuyn afzette tegen wat toen genoemd werd ‘oud-links’. Een klein stiekem duelletje over de erfenis van Fortuyn was dus eigenlijk gaande. Dat roept bij mij de vraag op, waar is de tegenhanger van ‘oud-links’ nu? Is dit nog substantieel, of is Aboutaleb een illusie tegenover nieuwkomer Baudet die een snelgroeiende partij vertegenwoordigd?

bron afbeelding: flickr: Partij van de Arbeid

 

Allereerst is het nodig de term ‘oud-links’ opnieuw op te halen. Deze term zoals ik hem me herinner is onlosmakelijk verbonden met de Fortuynistische revolte in Nederland in 2002. Na 8 jaar Paars/Kok ontstond er plotseling hevige onvrede over de staat van het land wat zich uitte in massale steun voor de vermoorde politicus die postuum met 26 zetels in de Tweede Kamer kwam, een nooit eerder vertoonde binnenkomst van een nieuwe partij. Natuurlijk ontstond die onvrede niet plotseling, maar door de politieke carrièreswitch van Fortuyn kreeg deze opeens een podium. Waar de Centrum Democraten van Janmaat nooit het taboe op immigratie- en integratiekritiek hebben kunnen doorbreken, lukte het Fortuyn wel deze kritiek opeens onder grote groepen salonfähig te maken. Behalve kritiek op het immigratie- en integratiebeleid, bevatte de boodschap van Fortuyn ook kritiek op het verouderde politieke stelsel, arrogante en betuttelende aspecten van de overheid, het neoliberalisme en andere onderwerpen die gevoelig (‘politiek correct’) waren. Ondanks zijn dood heeft Fortuyn de politiek jarenlang beïnvloed, onder andere door een scheidslijn aan te brengen tussen degenen die zijn ideeën pertinent als verwerpelijk bleven zien en degenen die vonden dat de terechte punten ervan overgenomen moesten worden. Dit zorgde zelfs binnen links voor een scheiding tussen ‘oud-links’, dat vooral de adem van taboes uit het verleden bleef ademen en internationaal bleef doorleven met Paarse pro-Europese nog-immer-invloedrijke mastodont Guy Verhofstad aan het roer enerzijds en een nieuwe uniek-Nederlandse post-Fortuynistische linkse stroming onder leiding van Wouter Bos anderzijds die vond dat de politiek weer meer verbonden moest raken met de problemen van de traditionele achterban, de arbeiders, die nu hun toevlucht hadden genomen tot de LPF.

Wouter Bos was in de jaren die volgden zeer succesvol in het terughalen van teleurgestelde PvdA-kiezers, mogelijk door zijn ‘lekkere kontje’ en aanbeveling van Pim Fortuyn, maar ook door zijn luisterend oor en politieke sensitiviteit. In deze periode brak ook Aboutaleb door als wethouder van Amsterdam. Ook de SP voer in deze periode wel onder leiding van visionair Jan Marijnissen, die veel kritiek op de politiek met Fortuyn had gedeeld en al decennia lang aan de weg timmerde op dat gebied. Groenlinks, de enige linkse partij die niks deed met de erfenis van Fortuyn, kromp. Het leek er dus op dat PvdA afstand had genomen van ‘oud-links’ en zijn taboes, maar al in 2006 vroeg Hans Wansink zich in de Volkskrant (“Bos versus oud-links”; 14 februari 2006) af ‘hoe diep gaat de vernieuwing eigenlijk? Levert Bos behalve stemmen ook een nieuw programma?’. Maar terwijl Bos de stemmen binnenhaalt, wachten de krachten van oud-links hun kansen af om toe te slaan. Als Bos dat over z'n kant laat gaan, dan dreigt voor hem precies het probleem dat hij in zijn boekje schetst: vervreemding van de middengroepen, de jongeren en kritische gebruikers en betalers van de verzorgingsstaat ten opzichte van de PvdA.”

Het nieuwe geluid van Bos was dus goed voor stemmen, maar hoe voorkom je inderdaad dat een verandering van koers niet direct teniet wordt gedaan zodra deze lijsttrekker en zijn volgelingen weer verdwenen zijn? Daarvoor zul je ook het intrumentarium van de kiezer moeten versterken zodat een koersverandering niet alleen geborgd is in enkele politici, maar ook blijvend afgedwongen kan worden met bijvoorbeeld bindende referenda en een gekozen minister-president. Dit zijn maatregelen die Forum voor Democratie aandraagt om de kloof tussen de burger en de politiek te overbruggen. Ook Nieuwe Wegen, het restant van de de door Fortuyn beïnvloede PvdA, onder leiding van Jacques Monasch bepleit soortgelijke maatregelen, evenals nieuwkomers VNL en GeenPeil.

Wat er afgelopen jaren gebeurd is, is dat de invloed van Fortuyn op de Nederlandse politiek inderdaad is verdwenen en de oud-linkse taboes weer terug zijn. Dit is volgens mij te wijten aan vier factoren:

  1. De opkomst van Wilders die in zijn onredelijkheid met betrekking tot de Islam een nieuwe polarisatie-wedloop gestart is, die de door Fortuyn postuum gecreëerde consensus geëlimineerd heeft
  2. Het gebrek aan borging van de inhoudelijke vernieuwing door middel van democratische vernieuwing
  3. De influx van grote oud-linkse groepen in de PvdA en SP die juist in de periode na Fortuyn politiek actief geworden zijn als reactie op Fortuyn en de oude taboes hersteld (PvdA) dan wel ingevoerd (SP) hebben
  4. De traagheid van de Europese politiek (Verhofstad) en krachten die Nederland graag als een democratisch achterlopend land neerzetten in plaats van de democratische pionier die het al bijna vijf eeuwen is (Verhofstad)

Al deze vier ontwikkelingen hangen min of meer samen met het bestaan van de representatieve democratie in Nederland:

  1. en 2) door inhoudelijke vernieuwing te koppelen aan personen en niet direct te borgen door middel van bindende referenda die een koersverandering tot ‘nationaal bezit’ maken
  1. De macht van leden in een partij ten opzichte van de niet-leden en vervolgens de macht die deze partij in het vertegenwoordigende stelsel heeft
  2. De oriëntatie op ‘Europa’, de dagelijkse ‘meester’ van de nationale politiek, waar dit eigenlijk de kiezer zou moeten zijn. Alleen kan de kiezer nu slechts éénmaal in de vier jaar zijn stem uitbrengen op het parlement. Dit terwijl de EU een dagelijks georganiseerd, uitdijend gouvernementeel orgaan is dat kan beslissen over de toekomstige carrière van onze nationale politici.

Hoewel de genoemde aflevering van Pauw en Jinek uitstekend fungeerde als ‘Kingmaker’ voor Ahmed Aboutaleb, blijf ik me afvragen hoe Aboutaleb de vooruitgang in het immigratie- en integratiedebat die in de jaren na Fortuyn geboekt is, zou kunnen terugbrengen in een vertegenwoordigende democratie waarin binnen zijn eigen partij, die ook nog eens gedecimeerd lijkt te worden op 15 maart, de afkeer van Wilders overheerst. Aboutaleb lijkt voorlopig, zoals hij zelf al inschat, beter te zitten in zijn ‘koninkrijk Rotterdam’ met ‘de meest vrijdenkende gemeenteraad van de wereld’. Mocht Aboutaleb landelijk meer willen zijn dan de zoveelste politieke illusie en de zoveelste succesvolle lokale PvdA-politicus die landelijk ‘mislukt’, dan zal hij óf binnen zijn eigen partij draagvlak moeten gaan vinden voor democratische vernieuwing, óf hopen dat partijen als Forum voor Democratie, VNL, Nieuwe Wegen, GeenPeil of misschien nog SP dit voor elkaar zullen boksen zodat hij hier de vruchten van kan plukken.