De W van wie?

Op het eerste gezicht lijkt alle kritiek op het koningslied uiterst oppervlakkig. Toch zou het wel eens kunnen dat er een diepere oorzaak is die alle ophef kan verklaren. Het idee achter het koningslied was dat ‘de’ Nederlanders samen één lied zouden schrijven en dat als eensgezinde natie aan hun nieuwe koning ten gehore zouden brengen. Maar stamppot en strijd tegen het water? Veel Nederlanders herkennen zich daar helemaal niet in. Zoals blijkt uit interviews die ik in 2011 hield met vijf politici is de Nederlandse identiteit niet homogeen.

“Ondanks het feit dat we in een land wonen met 17 miljoen individuen, is er wel degelijk sprake van een overkoepelende Nederlandse identiteit”, zegt Bart de Liefde, kamerlid voor de VVD. “Er zijn overeenkomsten te vinden in tradities en geschiedenis, en hierdoor zijn alle Nederlanders tot op zekere hoogte gevormd. Hier moet wel meteen bij worden gezegd, dat dit voor iedereen in een andere mate geldt. Ook is het iets dat altijd in beweging is; het is een dynamisch proces waarbij de ene keer iets anders wordt uitgelicht dan de andere keer. Zo komt het dat het níet mogelijk is om de mensen te duiden aan de hand van een nationale identiteit, maar andersom wel: de Nederlandse nationale identiteit wordt bepaald door de individuen die haar vormen.” Jetta Klijnsma van de PvdA ziet de Nederlandse identiteit als het gevoel van binding dat iedere inwoner van Nederland zal hebben met bijvoorbeeld zijn of haar woonplaats. “Je voelt je thuis in Nederland. Je ervaart een warm ‘wij’ gevoel binnen bepaalde subgroepen als familie of vrienden. Als je terugkeert naar de plek waar je als kind bent opgegroeid, ervaar je het gevoel van thuiskomen. Landschappen, een bepaalde regio, monumenten, molens: dit alles is onderdeel van de Nederlandse identiteit. Ieder mens heeft wortels.”

Kees van der Staaij van de SGP en Marieke van der Werf van het CDA noemen beiden de strijd tegen het water als gemeenschappelijk element. Verder menen zij dat het wel degelijk mogelijk is een duidelijke typering te geven van de Nederlandse identiteit. “Diversiteit is een belangrijk kenmerk van onze identiteit, aangezien onze behoefte tot persoonlijke ontplooiing leidt tot een veelheid aan subculturen. Als algemene delers zou ik echter kunnen noemen: hardwerkend, direct, nuchter, met een sterke koopmansgeest, gekoppeld aan een moreel of moralistisch kompas, gastvrij, hartelijk, vasthoudend aan individuele vrijheid maar met een behoefte aan saamhorigheid”, zo stelt Marieke van der Werf.

Het is opvallend om te zien dat  Bart de Liefde, Jetta Klijnsma, Kees van der Staaij en Marieke van der Werf allemaal menen dat er gesproken kan worden van een Nederlandse identiteit. Dit staat in sterk contrast met de mening van Alexander Pechtold. “Spreken van een Nederlandse identiteit is valse romantiek, en niets meer dan dat. Die zogenaamde identiteit wordt ook altijd gebruikt door mensen die het nodig hebben om iets gemeenschappelijks te benadrukken. Terwijl nationale identiteit gewoon steeds minder belangrijk wordt. Dankzij ontwikkelingen als de EU en het internet is het nationale absoluut niet meer het belangrijkste verband: we groeien op in een bepaald dorp, gaan dan studeren in het buitenland, en komen daar dan onze liefde tegen, voor wie we emigreren. Onze levens spelen zich echt niet meer uitsluitend af binnen de Nederlandse grenzen.” De moeilijkheid van het definiëren zit volgens hem ook in de grote diversiteit die Nederland kent; “Onze inwoners zijn te gevarieerd, te divers om ons in één beeld te kunnen vangen. Er zijn alleen al grote verschillen tussen de afzonderlijke regio’s.”    De grote variatie aan culturen, regio’s en inwoners maakt het dus moeilijk om één homogene Nederlandse identiteit te kunnen formuleren. Kees van der Staaij noemt het echter te gemakkelijk om je te verschuilen achter het feit dat de Nederland zo divers is, en meent dat bijvoorbeeld het calvinisme wel degelijk een gemene deler is. “In onze huidige cultuur en samenleving zijn duidelijk de sporen van onze eigen geschiedenis te herkennen. De stelling van oud-minister Vogelaar dat we in Nederland een joods-christelijk-islamitische traditie kennen is historisch gezien dan ook gewoon onjuist. De invloed van het calvinisme is in Nederland bijzonder geweest. Dit alles maakt dat we zeker kunnen spreken van een gedeeld fundament, hoewel het vaak onbewust aanwezig is.” Jetta Klijnsma is het hier niet mee eens. De identiteit van Nederland wordt in haar ogen juist bepaald door diversiteit. “Het mooie aan de Nederlandse identiteit is nou juist die diversiteit. Het feit dat allerlei mensen uit verschillende culturen zich in Nederland thuis kunnen voelen, is voor mij een belangrijk element van de Nederlandse identiteit. Nederland wordt gevormd door invloeden uit allerlei culturen. Onze identiteit is een hele brede en veelzijdige, waar iedereen in past. Dat is juist zo mooi aan Nederland.”

Een eenduidige Nederlandse identiteit lijkt niet makkelijk aan te wijzen. Pechtold meent dat het veel belangrijker is om je als land te richten op de gezamenlijke toekomst: “Belangrijker is het om een schip aan de horizon vorm te geven met z’n allen. De richting te bepalen, waar we naartoe willen als land. De toekomst is in die zin veel belangrijker dan het verleden: er zou meer nadruk moeten komen op waar we naartoe gaan, in plaats van waar we vandaan komen.” We moeten altijd uiterst voorzichtig blijven met het zoeken van nationale overeenkomsten. “Het is de drang naar overzichtelijkheid, het ‘jaren vijftig gevoel’, dat achter de zoektocht naar identiteit zit. Op zich is dit in onzekere tijden begrijpelijk, maar het is goed om altijd oplettend te blijven kijken naar wat er gebeurt: als tulpen of Sinterklaas erbij gehaald worden om het Nederlandse te benadrukken, moet je wel weten dat ze beide  uit Turkije komen.”

Volgens Pechtold is het benadrukken van een nationale identiteit onmogelijk en dus ook onwenselijk. Vaak wordt het verleden gebruikt om hieruit selectief de gewenste elementen te benadrukken, terwijl andere facetten van datzelfde verleden achterwege worden gelaten. “Het is gevaarlijk om het verleden op die manier te gebruiken voor het heden. Ikzelf vind het nuttig om het verleden te gebruiken om het heden te verduidelijken, maar dan meer om mensen kennis te verschaffen om dit heden te begrijpen. Nuttig is bijvoorbeeld om te laten zien wat de EU allemaal heeft kunnen doen in vijftig jaar tijd: mensenrechten verbeteren, de euro invoeren, een poging om een Europese grondwet vorm te geven. Dát is een nuttige manier om het verleden te gebruiken.”

De Engelse antropoloog en politicoloog Benedict Anderson meent dat naties niet méér zijn dan ingebeelde gemeenschappen, imagined communities. Aangezien de gemiddelde natiestaat bestaat uit enkele honderdduizenden of zelfs miljoenen individuen, is het onmogelijk dat iedereen binnen deze natie elkaar kent. In die zin is er volgens Anderson dan ook geen sprake van werkelijk bestaande gemeenschappen. Zo zijn alle gemeenschappen die groter zijn dan kleine dorpen, waar iedereen elkaar persoonlijk kent, verbeelde gemeenschappen.[1]    Dat mensen binnen een natie zich met elkaar verbonden voelen terwijl zij elkaar bij lange na niet allemaal persoonlijk kennen, komt onder andere doordat zij een gezamenlijk verleden met nationale tradities en gebruiken delen. De historicus Eric Hobsbawm is er echter van overtuigd dat de vele tradities en gebruiken die een nationaal gevoel versterken invented traditions zijn. De meeste nationale tradities zijn in feite helemaal niet zo oud als wordt geïmpliceerd, maar zijn volgens hem bedacht in de negentiende eeuw om een gemeenschapsgevoel te construeren bij de losse inwoners van één natie. Dit was van belang voor de natiestaten die zich in de negentiende eeuw ontwikkelden. Veel ‘tradities’ worden dus in het heden uitgevonden om een collectief van individuen een gevoel van een gemeenschappelijke identiteit te geven. Om een gezamenlijke continuïteit tussen verleden en heden uit te lichten worden selectief elementen uit het verleden aangegrepen.[2]
Benedict Anderson en Eric Hobsbawm zien nationale identiteit dus niet als iets vanzelfsprekends. In hun ogen zijn naties en tradities menselijke constructen. Natuurlijk kan er wel gemeenschapszin bestaan in kleine groepen waarin iedereen elkaar kent, maar naties zijn abstracte eenheden waarin een gedeelde identiteit met daaruit voortkomend gemeenschapsgevoel gekunsteld is.

De vijf politici met wie ik in 2011 sprak werden het er niet over eens of er een homogene Nederlandse identiteit bestaat. Dat begrip is dan ook problematisch, omdat het pretendeert te raken aan de kern van wat dé Nederlander zou zijn. Iedereen ziet echter een andere kern voor zich, afhankelijk van zijn of haar eigen sociale context, idealen en overtuigingen. Net zoals het onmogelijk is gebleken één Nederlandse nationale identiteit te formuleren, is het ook een illusie gebleken om als één volk een Koningslied te schrijven. Wat begon als poging om alle Nederlanders samen te brengen en een warm wij-gevoel te creëren, werd uiteindelijk ontmaskerd als valse romantiek.



[1] Benedict Anderson, Imagined Communities. Reflections on the origins and spread of nationalism (Londen 1991).

[2] Eric Hobsbawm, ‘Inventing Traditions’, in: Hobsbawm en Ranger, The invention of tradition (Cambridge 1983).