Een grote progressieve samenwerking: waarom eigenlijk niet?

Ter ere van het 70-jarige bestaan van de Partij van de Arbeid duikt Jong WBS in de politiek-filosofische aard van wat sociaaldemocratisch, links of progressief zou moeten betekenen. In een serie artikelen proberen we de sociaaldemocratie vanuit verschillende perspectieven te benaderen. Vandaag bijt Wouter Welling het spits af met zijn vurige pleidooi voor meer progressieve samenwerking.

bron afbeelding: Vanity Fair, 30 November 1886. United States Public Domain. Liborio Prosperi 1854-1928

De afgelopen jaren zijn er zat artikelen geschreven over waarom het nou eindelijk eens tijd is voor een grote progressieve samenwerking (bijvoorbeeld hier en hier). Er zijn zelfs serieuze pogingen ondernomen.  Er is in achterkamertjes menig kopje koffie over gedronken, maar telkens gebeurt er geen bal en vraagt men er na een tijdje ook niet meer om. Waarom eigenlijk niet?

Eerst even uitleggen wat ik met progressief bedoel. Er zijn vast mensen die nu al denken, 'ja, ho eens even, wat jij progressief noemt, is dat niet gewoon links?' Ik kies bewust niet voor de term links, omdat die een zware lading heeft. Ik ken bakken vol met mensen die vaak niet weten of ze nou écht links zijn of rechts. Het zijn meestal andere mensen die dat oordeel graag aan je mening willen plakken om hem vervolgens ergens in te kunnen delen. “Oh, jij vindt dat, jemig wat ben jij links.”

Ik spreek graag van progressieve mensen als we het hebben over mensen die duurzaamheid wel een sympathiek idee vinden, mensen die geloven dat solidariteit best mooi is, mensen die geloven dat goed onderwijs voor iedereen moet zijn, mensen die op een mens- en aarde vriendelijke manier best een liberale markt willen hebben en mensen die geloven dat er vooruitgang voor iedereen kan zijn. Mensen, simpelweg, die geloven dat morgen voor iedereen wat prettiger kan zijn dan vandaag. Dat soort progressieve mensen, snapt u. Waarom werken die politiek nou niet samen? Laat me eens langs een paar redenen lopen.

Sorry liefje, maar we hebben gewoon niet zoveel gemeen met elkaar

Een veelgenoemde reden waarom progressievelingen het met zeer veel partijen moeten doen is omdat de partijen simpelweg te verschillend zijn. Laten we eens aannemen dat mensen die zichzelf als progressief zouden kunnen beschouwen mogelijk stemmen op partijen variërende van SP, GroenLinks, PvdA, D66, ChristenUnie, Partij voor de Dieren en de Piratenpartij. Allerlei partijbelangen daargelaten, de verschillen worden als vrij groot gezien.

Verkracht door Max Weber

Een tweede zeer belangrijke reden is dat al deze partijen een fikse padafhankelijkheid hebben. Ik heb het wel eens ironisch en bot uitgelegd als: progressief Nederland wordt permanent verkracht door Max Weber met z’n bureaucratische theorie. Partijen zijn immers, net als veel grote organisaties, institutionele olietankers die eigenlijk nadat ze opgericht zijn, twee primaire doelen hebben: blijven bestaan en groter worden. Dit gaat gepaard met alle andere bureaucratische trekjes die naar binnen sluipen. Denk aan verzakelijking, interne gerichtheid, focus op efficiëntie in plaats van idealen, procedures voor alles en een fijne strikte hiërarchie. Naast dat deze grote bureaucratie écht iets 20e eeuws is en de meeste progressievelingen er volgens mij een broertje dood aan hebben, is dit iets dat partijen vooral één koers geeft: met onszelf bezig zijn, groeien en blijven bestaan.

‘Ik wil wel samenwerken, maar dan moeten zij met mij en niet ik met hun..’

Een derde, haast tragikomische reden, is dat de mensen die ooit na zouden moeten denken over een progressieve politieke samenwerking, persoonlijk helemaal niet gebaat zijn bij deze samenwerking. Als ik bij progressieve partij X ga roepen dat ik toch echt vind dat partij Y slimme dingen zegt en we misschien eens samen moeten werken, dan maakt dat mijn carrière daar vrij overzichtelijk (lees: eindigend). Dus van Jan het politieke dier zal het niet komen.

De mensen echter, die gekozen zijn om de dienst uit te maken bij deze partijen, hebben ook geen belang om samenwerking te bevorderen. Dit zou namelijk impliciet betekenen dat ze anderen dan zijzelf ook wel verstandige dingen vinden roepen. Hiernaast zou dit betekenen dat misschien wel anderen er met het mediamomentje of het nieuwe naamgeverschap van het plan vandoor gaan. Ook al zou men dus willen samenwerken, dan willen alle leiders enkel dat de ander zich bij hen voegt.

Karl the world isn’t fair

Mijn favoriete zanger Randy Newman schreef ooit een briljant lied, The World Isn’t fair, waarin hij bedenkt hoe het zou zijn om Karl Marx uit te leggen hoe de wereld van nu uit ziet (luister het). Ik denk dat we hier weer met zijn conclusie te maken hebben: the World isn’t fair, it isn’t and never will be.

Alle bovenstaande argumenten leren ons dat het misschien nog niet slecht genoeg met de progressieve partijen gaat om ze zo ver te krijgen samen te gaan werken. Ook al zijn er misschien best progressieve mensen die zich niet zo senang meer voelen bij al die clubs.

Voor mij is een politieke partij een middel. Nooit een doel. Een partij is een middel om goede ideeën voor mekaar te boksen. De afgelopen twintig jaar is door de informatierevolutie zo goed als alles in onze maatschappij radicaal veranderd. Waarom zitten progressieve mensen toch nog steeds naar exact hetzelfde politieke landschap te kijken?

Zoals je kunt lezen heb ik de oplossing niet. Ik heb enkel getracht te analyseren waarom er geen progressieve samenwerking is. Ik ben erg geïnteresseerd waarom jij denkt dat progressieve mensen elkaar moeilijk politiek kunnen vinden?