Een nieuw type verkiezingen

Is ons parlement nog een echte volksvertegenwoordiging? Hoe overbruggen we het gapende gat tussen burger en politiek? Hoe zorgen we ervoor dat mensen de politici weer vertrouwen? Het zijn vragen waar de politiek en in haar kielzog tal van organisaties als het SCP en de WRR hun hersens stuk op breken. Eén aspect van ‘de kloof’ wordt echter zorgvuldig vermeden: het functioneren van het kiesstelsel. Mijn analyse is dat het electoraat onthecht is – en ziet dat Den Haag het niet langer werkelijk vertegenwoordigt. Om daar een eind aan te maken is het tijd voor nieuwe verkiezingen.

bron afbeelding: Moritz Kosinsky / Wikipedia

Wat ontbreekt er aan het huidige Parlement?

Een van de mooiste aspecten van het parlementair werk is de ombudsfunctie. Kamerleden die concrete en gerechtvaardigde grieven van burgers aan de kaak stellen: publiekelijk of discreet. Maar niet met als doel er politiek mee te scoren, maar gewoon om problemen op te lossen. Helaas lijken Kamerleden dit ombudswerk nauwelijks tot hun dagelijkse taakopvattingen te rekenen.

Dat is ook niet verwonderlijk. Veruit de meeste van hen zijn niet direct gekozen, en hebben geen binding met een specifieke achterban. Er zijn uitzonderingen – Kamerleden met een uitgesproken regionaal profiel of landelijke uitstraling– maar de meesten zitten er toch dankzij een populaire partijleider of de partij.

Dat brengt nog een ander probleem mee, het maakt politici afhankelijk. Van de partij en de leider, maar ook van de politiek als broodheer. Hans Wiegel beschrijft uiterst pijnlijk dat het Kamerlidmaatschap geen roeping meer is, maar een politieke carrièrestap.[1] Het leeuwendeel zal, aldus Wiegel, buiten de Kamer nooit meer zoveel verdienen. Als herverkiezing na vier jaar uitblijft, komen ze buiten de politiek vaak nauwelijks aan de bak. Ze verdwijnen in het lezingencircuit, of schrijven (vaak vermakelijke) politieke memoires. En deze afhankelijkheid van de politiek ondermijnt een onafhankelijke, dualistisch-ingestelde volksvertegenwoordiging.

Tel hier de identificatiecrisis van de kiezer bij en de daaruit voortvloeiende behoefte aan authentieke politici met heldere verhalen. De verkiezing van Jeremy Corbyn als Labour-leider is een voorbeeld, maar de Trump-sensatie in de VS mag er ook wezen. Ook Diederik Samsom maakte furore met zijn ‘eerlijke verhaal’. Het nadeel is dat zij ofwel mislukken (het gevaar van Corbyn) of establishment worden (Samsom), wat opnieuw resulteert in vluchtig kiesgedrag.

Het electorale probleem van het huidige stelsel blijkt verder uit het feit dat de grootste partij van Nederland niet eens vertegenwoordigd is in het parlement. Winnaars van de gemeenteraadsverkiezingen 2014 waren op afstand de lokale partijen (ruim dertig procent van alle stemmen). Het CDA, volgens de media de winnaar, haalde niet eens de helft (14,3 procent). Het is wrang dat juist de Lokalen in Den Haag geen stem hebben. Dit terwijl juist gemeenten zich door het Rijk met hun rug tegen de muur gezet voelen: meer taken, minder geld en geen gelijkwaardigheid als gesprekspartner.[2]

Een districtenstelsel

Een groot deel van deze problemen lijkt eenvoudig op te lossen. Versterk de directe binding tussen de kiezer en de gekozene door een stelsel van kiesdistricten.

In het Verenigd Koninkrijk is de constituency van leden van het Lower House uitermate belangrijk.[3] Kamerleden worden tenslotte door het district gekozen. Deze sterke verwevenheid –een gevoel van lotsverbondenheid – leidt ertoe dat veel Engelse parlementariërs hun ombudsfunctie uitermate serieus nemen, ook als het om zogenaamde safe seats gaat. Er ontstaan bruikbare structuren voor. Het contact met de constinuency is een belangrijk aspect van het werk. Het komt bovendien erg van pas dat wanneer men de zaaltjes in moet om een Kunduzakkoord of strafbaarstelling van illegaliteit uit te leggen, een persoonlijke bekende daar staat. (Af en toe voor een zaaltje staan en mensen meekrijgen is sowieso geen slechte oefening voor welke politicus dan ook.)

De stem van een district versterkt ook het mandaat van de gekozen afgevaardigde. Meer dualisme, minder intern gesmoord debat. Ook al geldt ook in het VK dat kandidaat MPs gebonden zijn aan het verkiezingsprogramma en dat Nederlandse parlementariërs zich aan een coalitieakkoord zouden zien gebonden. Het kan ook bijdragen aan het dichten van de kloof tussen het Rijk en gemeentebesturen.

De schaal van een kiesdistrict is daarbij belangrijk. Identificatie met het district is niet noodzakelijk, maar de herkenbaarheid ervan wel. Een kiesdistrict mag dus niet al te groot zijn, ook al kan de consequentie hiervan zijn dat het aantal leden van de Tweede Kamer toeneemt.[4]

Maar een districtenstelsel brengt niet louter hosanna. Het kan een lelijk vertekend beeld geven omdat het principe van evenredige vertegenwoordiging wordt losgelaten. Zo was het behoorlijk zuur voor Al Gore dat hij in 2000 de meeste stemmen haalde (de popular vote) maar toch geen president werd. De laatste Britse verkiezingen zetten nog meer vraagtekens bij het districtenstelsel. De Scottish Nationalist Party werd een factor van betekenis door 54 zetels binnen te halen (8,3 % van het totaal). Er stemde anderhalf miljoen mensen op de SNP, ruim 1 miljoen minder dan op Nick Cleggs LibDems. Toch sleepte die laatste partij een schampere acht zetels binnen. En maar liefst 3,8 miljoen mensen stemden op UKIP, die daarmee de derde partij van het VK zou zijn. Zou zijn, omdat deze pyrrhusoverwinning Nigel Farage één parlementszetel opleverde.

Een tweede bezwaar is dat het voor beroepspolitici lastiger wordt het parlement in te komen. Dan heb ik het niet over mensen die sinds hun achttiende nooit iets anders gedaan hebben dan in het parlement zitten. Maar juist fractiespecialisten, backbenchers, die gedegen inhoudelijk Kamerwerk doen maar geen grote achterban hebben of brede uitstraling op de bevolking. De types die zich vastbijten in de saaie, langlopende dossiers waar geen media-aandacht voor is. In het Verenigd Koninkrijk wordt dit opgelost door zogenaamde safe seats: districten die toch wel Conservatief of Labour stemmen. In het Nederlandse bestel, waar het minder vanzelfsprekend is dat twee grote partijen de dienst uitmaken, gaat dat niet op.

De oplossing: Zweitstimme

Voor inspiratie moeten we dan ook niet naar Engeland kijken, maar naar onze oosterburen. Het Duitse kiesstelsel kent de zogenaamde Zweitstimme, een essentieel onderdeel om ook in Nederland tot een beter parlement te komen. Kort door de bocht worden hiermee de voordelen van het kiesdistrictenstelsel enerzijds en evenredige vertegenwoordiging aan de andere kant in het stelsel geïncorporeerd.

Tijdens nationale verkiezingen brengen kiesgerechtigden twee stemmen uit: één landelijke stem op een specifieke partij; en een tweede stem op een districtskandidaat.

Om met die tweede te beginnen: leden van verschillende partijen kunnen zich kandideren om als afgevaardigde van een bepaald district te worden gekozen. Tijdens een spannende verkiezingsstrijd zullen ze niet alleen duidelijk moeten maken waar zij en hun partij voor staan, maar ook hoe zij het district en de belangen en zorgen van haar inwoners gaan vertegenwoordigen. (Nota Bene: vertegenwoordigen is iets anders dan de oren te laten hangen cq. cliëntelisme). Het ligt voor de hand hierin het winner-takes-all principe te hanteren.

Tegelijkertijd brengt de kiezer een stem uit op een partij. Daar hoort een landelijke lijst onder inclusief een lijsttrekker. Op basis van evenredige vertegenwoordiging worden de landelijke parlementszetels verdeeld over de partijen. Voor de landelijke zetels wordt een kiesdrempel ingesteld. Op de landelijke lijst staan Big Shots: partijleiders en (potentiële) ministers, maar ook Small Fish: inhoudelijk specialisten met bijzondere expertise of netwerk of beroepspolitici die politiek handig zijn – maar geen appeal bij het publiek hebben en het als districtskandidaat niet zouden redden. Politieke talenten kunnen op deze manier parlementaire ervaring opdoen.

Op deze manier ontstaat er een volksvertegenwoordiging, bevolkt door dezelfde politieke partijen als nu. De fracties zullen echter samengesteld zijn uit een deel “landelijke” politici in districtskandidaten. Voor beiden geldt dat ze zich vooraf gecommitteerd hebben aan een verkiezingsprogramma, en dat later in principe ook aan een coalitieakkoord. Toch zal het wel leiden tot meer wederkerigheid tussen de politiek en de burger.

Dit kiessysteem sluit bovendien beter aan bij het volatiele electorale landschap (een door expert gebruikte term om te verhullen dat kiezers tegenwoordig zelf keuzes maken). Weinig kiezers scharen zich nog volledig en langdurig achter één partij. De Zweitstimme geeft hen een sturingsmechanisme. Maar het voorkomt ook dat kiezers voor het dilemma komen te staan: strategisch stemmen (‘links de grootste partij’) of ideologisch stemmen (met de kans op een ‘verloren’ stem). Iemand kan lokaal voor een PvdA’er kiezen als er een klassieke PvdA-VVD strijd ontstaat en de GroenLinks-kandidaat geen kans maakt. Een landelijke stem op GroenLinks verliest dan beslist niet zijn effect. Het invoeren van zo’n stelsel vereist wel moed van het huidige Parlement. Maar wie zei ooit dat politiek voor bange mensen was?

[1] NRC, 2014 (over Guido van Woerkom)

[2] NRC, November 2014, interview Jan de Laat (wethouder Gouda)

[3] De dagboeken van Chris Mullin, 23 jaar parlementslid voor Sunderland South, zijn een feest om te lezen en laat dit fenomeen tussen de regels mooi zien.

[4] Zouden we in Nederland uitgaan van 150 Kamerleden, en dus 1510 districten, dan zou een district gemiddeld 106.666 kiezers bevatten. De Britse constinuencies hebben gemiddeld 70.000 kiesgerechtigde inwoners, variërend van 20.000 (Na h-Eileanan an Iar) tot 108.000 (Isle of Whight).