Een ongeziene nieuwe klassenkloof

"Rondom de volgende bushalte gaan mensen gemiddeld 15 jaar eerder dood." Zou u op deze halte willen uitstappen? nee, kom dan vanavond naar de presentatie van de Zomerschoolpublicatie, waarin ideëen om ongelijkheid aan te pakken besproken worden. "Maak de Kloof van klasseongelijkheid zichtbaar en voelbaar" Dit betoogt de werkgroep Opleidingskloof op de JongWBS Zomerschool 2016. Lees hier onder hun plan van aanpak:

bron afbeelding: Flickr: Thomas8047

 

 

Een ongeziene nieuwe klassenkloof

Over de onrechtvaardige en onopgemerkte ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden.

Er waart een spook door Nederland: het spook van de nieuwe klassenverdeling. Het is geen nieuw spook; het bestaat al sinds de tweede helft van de 20e eeuw. Na de horizontale maatschappelijke ordening van de Verzuiling, waarin verschillende bevolkingsgroepen zich, min of meer gelijkwaardig, naar levensovertuiging organiseerden, ontstond er langzaam een nieuwe hiërarchische verhouding tussen grofweg twee bevolkingsgroepen. Eerst leek het een positieve ontwikkeling. Meer en meer mensen werden hoger opgeleid, de American Dream ontstond ook in Nederland. Het blijkt echter ongezellige consequenties te hebben. Er is een structurele, onrechtvaardige ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden. Nederland is zich onvoldoende bewust van de ernst en omvang van deze ongelijkheid, zijn structurele oorzaken en zijn schrijnende en schokkende gevolgen. Daarnaast is er een maatschappelijke kloof tussen beide klassen die de bewustwording van het probleem en de oplossing van concrete onrechtvaardigheden verhindert.

Laagopgeleidheid. Terminologie

Prof. dr. Paul Wackers zei ooit: “Een goede wetenschapper begint met definities”. Een goede tekst voor een afdeling van een wetenschappelijk bureau doet dit ook. De huidige terminologie van deze moderne ‘klassenstrijd’ is ‘laagopgeleid’ en ‘hoogopgeleid’. Deze woorden zijn onhandig gekozen en doen geen recht aan de gewenste situatie. De hiërarchische organisatie zit intrinsiek verscholen in deze woorden, en die willen wij nu juist bestrijden. Deze woorden suggereren een onderscheid tussen slechter en beter; tussen minder en meer begeerlijk. Niet de bedoeling: laagopgeleid-zijn op zich is namelijk helemaal geen probleem. Je kunt een gelukkig en succesvol leven leiden als je niet hebt doorgestudeerd. De banen die passen bij je opleidingsniveau kunnen voldoening en genoeg beloning geven en precies bij je passen.

Het is zelfs een gevaar om laagopgeleidheid als zodanig als probleem te zien. Het oplossen van dit ‘probleem’ zou namelijk zijn: het alsmaar hoger opleiden van de Nederlandse bevolking, terwijl dit helemaal niet bij alle Nederlanders past. Opwaartse sociale mobiliteit wordt dan de norm. Wanneer je in deze ontwikkeling niet mee kunt, word je vanzelf een ‘achterblijver’, die het wellicht wel ‘aan zichzelf te danken heeft’. Dat vergroot de kloof en verslechtert de maatschappelijke positie van laagopgeleiden sterk, omdat het sociaal beleid dat uit ditzelfde paradigma voortkomt zich richt op eigen verantwoordelijkheid en initiatief. Dat is cynisch. Een historisch voorbeeld van hoe zoiets kan uitpakken zien we in de gemeenschappen van voormalige mijnwerkers in het Verenigd Koninkrijk2. Daar werd onder de neoliberale regering van Thatcher in 1984 eerst de werkgelegenheid afgeschaft en werd onder het motto ‘get on your bike and find yourself some work’ de schuld van de onafwendbare massale werkloosheid bij de voormalige mijnwerkers zelf neergelegd. Dit systeem van top-down hervormen en bottom-up verantwoordelijkheid delegeren ligt ook op de loer bij het beschouwen van laagopgeleidheid als probleem. Het ‘openstellen’ van de hogere klasse voor leden van de lagere klasse is geen oplossing, sterker nog: het miskent het probleem.

Een alternatieve benaming voor de verschillende klassen helpt. Voorbeelden zijn: ‘(kort en) praktisch opgeleid’ enerzijds en ‘(lang en) theoretisch opgeleid’ anderzijds. Deze terminologie prefereren wij, maar we vinden het te vroeg om deze al te hanteren omdat de problematische ongelijkheid, die feitelijk bestaat, daarmee onwenselijk verhuld wordt. Het daadwerkelijke probleem is dat er structurele redenen zijn waardoor mensen met een lager opleidingsniveau significant meer belemmeringen tegenkomen om een gelukkig en succesvol leven te kunnen leiden. Statistisch gezien ontplooien laagopgeleide mensen zich minder, leven zij ongezonder en korter en krijgen zij minder financiële en maatschappelijke waardering voor hun werk. Hierover meer in het volgende gedeelte.

Hoe manifesteert zich de ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden?

De cijfers rond de ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden zijn stuitend. Zo komt Mark Bovens (spreker op de zomerschool) in zijn oratie in 2012 met de volgende cijfers: lager opgeleiden verdienen bijna de helft minder dan hoger opgeleiden. Nog niet de helft van lager opgeleiden participeert op de arbeidsmarkt, tegenover 83% van de hoger opgeleiden. Lager opgeleiden zijn vaker werkeloos, worden eerder ontslagen en vinden minder makkelijk een nieuwe baan. Ook wat betreft gezondheid zijn de cijfers schokkend: lager opgeleiden leven gemiddeld zeven jaar korter dan academici en hebben vaker last van chronische ziekten en psychische aandoeningen. Academici leven gemiddeld 20 jaar langer in goede gezondheid dan mensen met alleen lager onderwijs.

De ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden heeft de neiging zichzelf in stand te houden en zelfs te versterken. Laagopgeleiden hebben vaker moeite met het benutten van hun sociale rechten. Kinderen van laagopgeleiden verkrijgen moeilijker toegang tot hoger onderwijs, bijvoorbeeld omdat zij de sociale kaart waarmee ze in hun onderhoud zouden kunnen voorzien niet kennen, of omdat hun ouders het belang van bijles of vervolgstudie niet inzien. Een schadelijk gevolg van laagopgeleidheid is dus onderopgeleidheid, oftewel lager opgeleid zijn dan je zou kunnen of willen. Deze problemen versterken zichzelf, want de ongelijkheid leidt tot laagopgeleidheid, wat weer leidt tot ongelijkheid, enzovoort.

Waarom is de tijd nog niet rijp voor concrete beleidsvoorstellen?

Gedurende de zomerschool hebben wij enkele concrete beleidsvoorstellen bedacht. We hebben enkele concrete maatregelen bedacht die segregatie moeten verminderen en opwaartse mobiliteit bevorderen. Eén voorbeeld is dat instanties (scholen, ziekenhuizen, bedrijven) met een bijzonder hoge concentratie van hoogopgeleiden een dependance moeten openen in wijken met een hoge concentratie laagopgeleiden. Op deze manier kunnen laagopgeleiden gebruik maken van hoogwaardige voorzieningen, hebben zij dicht bij huis carrièreperspectieven en worden hoogopgeleiden die werkzaam of actief zijn binnen deze organisaties zich meer bewust van de bestaande ongelijkheid. Dat leidt tot een grotere gevoeligheid en solidariteit bij deze instituties en individuen.

Een ander voorstel probeerde het probleem te bestrijden dat er relatief weinig laagopgeleiden deel uitmaken van beleidsmakende instituties als de Tweede Kamer en gemeenteraden. Veel beleid heeft de neiging om hoogopgeleiden te bevoordelen en maakt zo de kloof groter, maar het opkrikken van een dergelijke participatiegraad is moeilijk. Een tussenoplossing is het invoeren van een laagopgeleidentoets, waarbij de impact van elk nieuw beleidsvoorstel op laagopgeleiden in overweging genomen moet worden door de betreffende beleidsmakers en implementatoren. Dit is vergelijkbaar met de armoedetoets, die al bestaat in Vlaanderen.1 Praktisch gezien zou deze toets kunnen worden omgezet in klankbordgroepen met laagopgeleiden. Deze maatregel zou tot een fijngevoeliger en eerlijker beleid kunnen leiden.

Nog een ander idee betrof doelgroepenbeleid in de gezondheidszorg: wanneer laagopgeleiden zoveel vaker kampen met zwakke gezondheid, is specifiek op hen gerichte voorlichting of zorg dan niet zeer noodzakelijk?

Al deze ideeën zijn sympathiek, maar omdat er nog maar weinig maatschappelijk bewustzijn is over de ernst en omvang van de ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleidheid, zullen deze beleidsvoorstellen op dit moment weinig kansrijk zijn. De ongelijkheid moet eerst onmiskenbaar en definitief op de maatschappelijke agenda komen te staan. Als JongWBS zien wij bovendien meer onze taak in ideeën- en bewustzijnsontwikkeling en in campagnes dan in het daadwerkelijk beleidsmatig trachten te adresseren van deze problematiek. Wel hopen wij beleidsmakers te inspireren en maatschappelijk draagvlak te creeren voor sociaaldemocratisch beleid.

Waarom staat deze nieuwe klassenproblematiek niet allang op de agenda?

Hoogopgeleiden zijn doorgaans agendabepalend in het maatschappelijke en politieke debat. Er is weinig nieuwsgierigheid naar ‘de boze burger’ en de oorzaken van het ‘onderbuikgevoel’ en het wantrouwen in politiek en medemens. Hoogopgeleiden en laagopgeleiden komen elkaar niet tegen en zoeken elkaar niet op: er is een kloof. Dat is funest voor het wederzijds begrip, de solidariteit en voor het maatschappelijk probleemoplossend vermogen. We zouden zoveel meer kunnen bereiken als we tussen verschillende lagen van opleidingsniveau solidair zouden zijn en zouden samenwerken aan het oplossen van problemen die ons allen treffen.

De leden van deze twee groepen hebben maar weinig gemeenschappelijk. Ze komen elkaar nauwelijks tegen, in werk- noch in privésituaties1. Eén van deze groepen leeft in structureel poverdere omstandigheden dan de andere. Dit is, in weerwil van de tijdsgeest, onverdiend. JongWBS vindt deze ongelijkheid onbestaanbaar. Het is tijd om de nieuwe maatschappelijke ordening aan sociaaldemocratische kritiek te onderwerpen. Daarom moet er een scherpe bewustwordingscampagnie opgezet worden, gekoppeld aan een kloofoverstijgende mobilisatiestrategie voor gemeenschappelijke probleemoplossing. JongWBS ziet in de deugden enthousiasme, nieuwsgierigheid en liefde voor samenleven de mogelijkheid voor de politiek en voor beleidsmakers om een voorbeeldfunctie te vervullen.

Life-size infographics

Ons idee: life-size infographics. Dit idee klinkt in eerste instantie als iets wat een shady consultant uit zijn achterzak heeft getoverd. Een idee dat niemand snapt, met een mooie Engelse verpakking en een urban tintje. Niets is echter minder waar, en concrete voorbeelden illustreren het plan. Let wel: deze voorbeelden zijn eerste aanzetten, en er is een hele hoop op aan te merken – de kwaadwillenden onder ons kunnen er zelfs nationalistische, discriminerende en fascistische tendenzen in kunnen ontdekken. De zaal was geschokt. Wees geschokt over de feiten, niet over de oplossingsgerichte ideeën.

Life-size infographics zijn aanpassingen aan de stad die het probleem direct duidelijk maken. Het probleem? De negatieve gevolgen van laagopgeleidheid. Alle negatieve gevolgen? Neen. Wij hebben besloten om ons te focussen op de negatieve gezondheid- en sterftecijfers. Al is niet duidelijk waarom laagopgeleiden gemiddeld eerder sterven en minder gezonde jaren hebben – deels zou het verband zelfs omgekeerd kunnen zijn (zieke mensen worden lager opgeleid i.p.v. als je lager opgeleid bent wordt je eerder ziek) – dit zijn schokkende cijfers. Het gaat niet om een groot huis, een snelle auto, flitsende kleding of zelfs een vol leven: het gaat om léven an sich. Om leven en dood. Life-size infographics zijn een shockdoctrine zoals Nederland deze nog nooit eerder gezien heeft.

Het eerste concrete voorbeeld is de “lijn door de stad”. In Nederlandse grote steden wonen de meeste hoogopgeleide mensen in en rondom het centrum. De lager opgeleide mensen wonen daarbuiten. Het idee is om deze lijn zichtbaar te maken, met bijvoorbeeld verf of stickers. Op deze lijn staat de volgende tekst: “Mensen die aan de andere kant van deze lijn wonen, gaan gemiddeld zeven jaar eerder dood”.

Het tweede concrete voorbeeld vindt plaats in het openbaar vervoer, één van de weinige openbare voorzieningen die zowel gebruikt wordt door zowel hoog- als laagopgeleid. In dit voorbeeld in een metro, bijvoorbeeld lijn 51 in Amsterdam. De eerste haltes zijn in wijken waar laagopgeleiden wonen. Langzaamaan worden de wijken hoogopgeleider en rijker, totdat hij van de Zuidas naar het Centraal Station rijdt in de Zuidas. In de metro worden haltes omgeroepen: “volgende halte: Station Zuid”. Hier zouden wij een informatief element aan toe willen voegen. “Volgende halte: Zuid. Gemiddelde levensverwachting: 83 jaar”. Zo wordt aanschouwelijk gemaakt, dat gaandeweg niet alleen opleidingsniveau en (daarmee) inkomensniveau stijgt, maar ook de levensverwachting

Omdat Nederland niet alleen uit steden bestaat, is het volgende voorbeeld gericht op dorpen. Dorpen hebben meestal een dorpsplein. Op elk dorpsplein zetten we twee zandlopers neer, die de levensjaren aftellen van twee mensen. Beide zijn geboren in hetzelfde jaar, bijvoorbeeld 1965. De ene zandloper is van een hoogopgeleid persoon, de andere van een laagopgeleid persoon. De hoogopgeleide heeft zichtbaar langer te leven.

Het doel van deze campagne: enthousiasme, nieuwsgierigheid en liefde voor samenleven

JongWBS wil de onwetendheid rond de ongelijkheid tussen laag- en hoogopgeleiden opheffen. We willen het taboe doorbreken rond de onrechtvaardigheid die laagopgeleiden binnen dit nieuwe klassenstelsel ondergaan. Ons uiteindelijke maatschappelijke doel is niet zozeer het opheffen van verschil tussen laag- en hoogopgeleiden. Wel is het nodig om de onrechtvaardige ongelijkheid aan te pakken en om de kloof tussen de twee groepen te dichten. De segregatie is een probleem an sich en houdt bovendien de benadeelde positie van laagopgeleiden in stand. Laag- en hoogopgeleiden moeten elkaar meer tegenkomen in hun leefomgeving, op scholen en op het werk. Ze moeten meer solidariteit met elkaar ervaren. Hoogopgeleiden moeten zich de problemen van laagopgeleiden aantrekken. Er moet beleid ontwikkeld worden dat de precairdere maatschappelijke positie van laagopgeleiden erkent en dat hoogopgeleiden niet bevoordeelt. Idealiter zouden laagopgeleiden meer betrokken worden in het formuleren van dit beleid.

JongWBS ziet een samenleving voor zich met een enthousiasme om gezamenlijk problemen op te lossen. Een samenleving waarin men nieuwsgierig is naar elkaar en waar er een grote liefde voor het samenleven te ontdekken is. Beleidsmakers hebben daarin een voorbeeldfuncties. Enthousiasme, nieuwsgierigheid en liefde voor samenleven zijn voor hen kerndeugden. Het faciliteren van ontmoetingen en solidariteit door gezamenlijke probleemoplossing is een onmisbaar bijproduct van beleidsontwikkeling.

1 Bovens, M., Dekker, P., Tiemeijer, W. (2014) Gescheiden werelden? Een verkenning van sociaal-culturele tegenstellingen in Nederland. Den Haag: Sociaal en Cultureel Planbureau, Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid.

2. Bovens, M. (2012) Oratie. Opleiding als scheidslijn. Van oude en nieuwe maatschappelijke breukvlakken, p. 17-18.

3 Jones, O. (2012 [2011]) Chavs. The Demonization of the Working Class. Londen: Verso, p. 54-60.

1 http://www4.vlaanderen.be/wvg/armoede/armoedetoets/Paginas/default.aspx