Europa als maakbare samenleving

Discussies over Europa draaien vaak om twee beweringen: heeft de Europese Unie zijn beloftes waargemaakt en kunnen we de problemen die in de EU zijn ontstaan ook op EU-niveau verbeteren? De politieke posities zijn vervolgens in te delen tussen twee extremen. Aan de ene kant tracht de Euroscepticus aan te tonen dat Europa een hoop verkeerd beleid heeft gevoerd, bijvoorbeeld ten aanzien van de Euro, en dat de moeilijkheden alleen verbeterd kunnen worden door meer afstand van de Unie te nemen.

Aan de andere kant treffen we de Eurofiel, die schetst hoe waardevol de EU voor ons is geweest, bijvoorbeeld door het realiseren van de interne markt. Zij of hij voorspelt vervolgens dat we de problemen die zijn ontstaan, zoals het gebrek aan democratische legitimiteit, juist op Europees niveau moeten oplossen.

Dit artikel is een poging om deze complexe discussie een keer los te laten, en ons juist niet af te vragen wat de EU historisch gezien allemaal heeft bereikt en of de EU realistisch gezien verbeterd kan worden. Laten we in plaats daarvan onszelf eens de volgende vraag stellen: hoe zou de Europese Unie eruit moeten zien als we in staat waren om alle uitvoeringsproblematiek op te lossen?

Met andere woorden: als we de ideale Europese samenleving kunnen maken, wat zouden we dan moeten doen? Dit klinkt natuurlijk als een hopeloos naïef gedachte-experiment, aangezien we aardig wat netelige kwesties gewoon negeren. Denk aan de prikkelende vraag of een Europese democratie kan bestaan zonder een Europees volk of de vraag of we lid kunnen zijn van de EU zonder ons te voegen naar een neoliberaal economisch beleid – vragen waar onze mening sterk vanaf lijkt te hangen.

Toch is voor een naïeve houding veel te zeggen. Bedenk dat dit soort vraagstukken in hoge mate verwijzen naar de praktische haalbaarheid van ideeën, en niet naar hun morele juistheid. Louter over praktische haalbaarheid nadenken is eigenlijk zinloos: als je alleen weet dat het heel erg lastig is om een vitale Europese democratie te realiseren, heb je nog steeds geen flauw idee of het überhaupt wenselijk is om een Europese democratie op te tuigen. Bovendien werken pragmatische discussies verlammend, omdat we steeds meer vergeten wat het idealistische einddoel is waar we voor willen vechten.

Goede politiek bestaat uit een harde confrontatie tussen het moreel juiste en het concreet mogelijke. Het is een proces van verbeten duwen tegen de grenzen van de praktijk, totdat we concluderen dat we een situatie hebben gecreëerd die alleen in onze fantasie nog beter zou kunnen. Gezien die dialectiek tussen feit en moraal is een idealistisch gedachte-experiment niet naïef maar juist noodzakelijk.

Een sociaaldemocratie van 500 miljoen mensen
Stel je een vrij grote groep mensen voor, ergens rond de 500 miljoen, onderverdeeld in een aantal culturen en woonachtig op verschillende stukken aarde, die nadenkt over de ideale politieke samenleving. Op basis van welke principes zouden ze zichzelf moeten organiseren? Het antwoord op deze vraag hangt uiteraard af van de gekozen politieke overtuiging, maar laten we eens aannemen dat de sociaaldemocraat gelijk heeft. Hoe zouden we uiting geven aan onze fundamentele erkenning van de gelijkheid van alle individuen en hun gedeelde recht om een eigen leven te leiden? Stel je voor dat een assertieve leider opstaat en het volgende idee heeft: laten we die 500 miljoen mensen op basis van het criterium van enigszins gemeenschappelijke taal en gebruiken in extreem ongelijke groepjes en grondgebieden onderverdelen, en vervolgens als landen afspreken elkaars soevereiniteit niet aan te tasten. Ik denk dat dit om twee redenen een volstrekt verwerpelijke suggestie zou zijn.

Ten eerste hebben mensen niet alleen zelf het recht op een goed bestaan, maar ook de verplichting bij te dragen aan de realisatie van het recht van anderen. Door zichzelf af te splitsen van mensen die een andere taal spreken en op een ander tijdstip eten, negeren ze de plicht om ook het belang van die vreemden te dienen, en voor ze op te komen als er moeilijkheden zijn. Deze verantwoordelijkheid impliceert noodzakelijkerwijs dat men een gemeenschap vormt die volledig inclusief is. Het zou dus ook niet genoeg zijn als de landen toezeggen elkaar te helpen en genereus proberen te zijn: mensen zijn elkaar consideratie verplicht, en plichten zijn afdwingbaar. Als landen internationaal afdwingbare verplichtingen accepteren kunnen we ze niet meer begrijpen als volledig soevereine natiestaten, en bestaat er een bepaalde gemeenschap.

Ten tweede is een qua macht en invloed ongelijke verdeling ook initieel onrechtvaardig, aangezien sterkere landen meer welvaart en welzijn voor hun burgers realiseren dan zwakkere. Dit zou vragen om een internationaal herverdelingsmechanisme, wat weer neerkomt op het in het leven roepen van een supranationale autoriteit. De redenering is daarom eenvoudig: als we ieders gelijkwaardigheid serieus nemen, moeten we de voorkeur geven aan een waardengemeenschap waarin niemand buiten de boot valt en iedereen verantwoordelijk is voor iedereen.

Men zou nu kunnen opwerpen dat dit voorstel niet klinkt als een Europese Unie maar als een wereldstaat. Dat is helemaal waar en even terecht – een oprechte sociaaldemocraat zou geen argument kunnen bedenken dat een Europeaan boven een Indiër stelt of een Chinees boven een Syriër: als de wereld 6 miljard mensen bevat en als 500 miljoen mensen besluiten zich zo min mogelijk met de rest te bemoeien, is dat ook een fundamenteel onrechtvaardige toestand. We moeten erkennen dat het idee van een Europese Unie in de context van een eerlijke wereld niet meer is dan een grote stap in de goede richting, en dat die Unie er vervolgens alles aan moet doen om de schade van de politieke afscheiding goed te maken aan alle andere wereldbewoners.

Wat overblijft is uiteraard het vraagstuk van democratische legitimiteit – je zou denken dat een inwoner van een kleine staat nu eenmaal meer controle over de uiteindelijke besluitvorming heeft dan één persoon te midden van een massa van 500 miljoen mensen. Vanuit een idealistisch perspectief is dit echter maar gedeeltelijk waar. Natuurlijk is het zo dat je stem zwaarder meetelt in een kleinere groep, en je dan meer kans hebt om publiekelijk gehoord en gezien te worden. Maar vergeet niet dat de Europeaan iets te zeggen heeft over 500 miljoen mensen, terwijl de Nederlander via zijn stemrecht geen invloed kan uitoefenen op de rest van Europa. Als je vervolgens beseft hoezeer het lot van het ene land beïnvloed wordt door de praktijken in alle andere, lijkt zelfbeschikking op Europees niveau zo gek nog niet. Bovendien hoeft Europese regie niet samen te gaan met autoritair micromanagement, maar kunnen allerlei plaatselijke vormen van zeggenschap blijven bestaan – zolang de uiteindelijke regie en staatsmacht maar op Europees niveau geregeld is.

Vanuit een idealistisch perspectief is de conclusie helder: gezien de duidelijke rechtvaardigheidsargumenten en de op zijn best onbesliste legitimiteitsoverwegingen, is Europees bestuur een onvermijdelijke droom voor iedere rechtgeaarde sociaaldemocraat.

Welk Europa kunnen we maken?
De vraag is wat deze naïeve discussie oplevert als we wel denken in termen van praktische haalbaarheid. Ik zou zeggen erg weinig en erg veel. We kunnen natuurlijk helemaal geen definitieve uitspraken doen over een specifieke landenunie zonder empirische vragen te beantwoorden, en komen daarom in theorie nooit verder dan de noodzaak van een gemeenschap van wederkerige morele verplichtingen te benadrukken. Het is praktisch bezien denkbaar dat een losse gemeenschap van zeer autonoom functionerende landen uiteindelijk de optimale weg vormt naar een beter Europa en dat een sterk vervlochten unie juist het recept is voor conflict. Maar vergis je niet. Gecommitteerd zijn aan een werkelijk gedeelde samenleving is tegelijkertijd een enorm ingrijpende opvatting. Het impliceert dat we absoluut niet tevreden kunnen zijn met een wereld waarin verschillende landjes hoog opgeven van hun soevereiniteit en slechts als economische partners willen samenwerken. Het betekent ook dat van ieder nationaal initiatief bekeken moet worden of het past binnen een rechtvaardig Europa – een fundamenteel andere inzet dan de meeste PvdA-politici aan de dag leggen.

Bovendien is het ook enorm defaitistisch om te suggereren dat een Europese democratie niet mogelijk is, of dat er geen solidair monetair beleid kan worden gerealiseerd. Er zijn weleens moeilijkere dingen waargemaakt op deze aardbol: de Europese naties waren niet zo heel lang geleden een uitgestrekte verzameling trotse stadstaatjes, maar functioneren al decennia als stabiele landen, aangekweekte vaderlandsliefde incluis. Dat wil uiteraard niet zeggen dat het makkelijk is om idealen op Europees niveau te verwezenlijken, dat het allemaal nu moet gebeuren en dat alle macht uiteindelijk in Brussel hoort. Eenwording zonder ellende is historisch gezien een uitdagend recept. Echter, dit neemt niet weg dat we één ding wel onmiddellijk moeten doen: we moeten onszelf eindelijk eens gaan afvragen waar we eigenlijk toe in staat zijn, in plaats van weg te zakken in fatalisme en onzekerheid.

Als je geen idee hebt wat je potentie is, maar wel weet wat voor wereld je echt nastrevenswaardig vindt, is de volgende stap heel simpel: je pakt de Europese handschoen op, en kijkt hoe ver je kan komen.

Jurrien Hamer is PhD-onderzoeker Ethiek Instituut Universiteit Utrecht