Hoe kan voortgezet onderwijs voortgezet worden?

 

Mijn naam is Thomas van Wingerden. In de zomer van 2017 ben ik afgestudeerd als geschiedenisdocent en sinds 1 februari dit jaar geef ik les op het Haags Montessori Lyceum, een havo/vwo school. Naast mijn werk volg ik een deeltijd masteropleiding om straks les te kunnen geven aan het hbo of de bovenbouw van het HAVO en VWO.

Regelmatig wordt mij in gesprekken gevraagd waarom ik deze baan heb gekozen. Als ik op feestjes over mijn werk vertel, krijg ik regelmatig als reactie: “Poeh, mooie baan, maar ik zou het niet kunnen hoor!” of “Nou, voor jou salaris kom ik mijn bed niet uit, als hoogopgeleide” en een laatste klassieker “Je hebt deze baan zeker gekozen voor al die vakantiedagen!”

Laat ik dat laatste meteen uit de weg ruimen. Ja, je hebt inderdaad relatief veel vakantiedagen. Echter, werk meenemen naar huis is eerder regel dan uitzondering. Hoewel er wel degelijk (beperkte) ruimte voor is voor nakijktijd op school, neem ik regelmatig stapels toetsen van leerlingen mee naar huis om na te kijken. Daar ben ik op school niet aan toegekomen door het invullen van het leerlingvolgsysteem, het plannen van een klassenuitje naar de Koninklijke Bibliotheek met klas 1J (ja mevrouw ik zorg echt dat ze stil zijn!) en het kopiëren van de eindtoets hoofdstuk 3 die klas 2 morgen heeft. Eenmaal thuis volgt het nakijkwerk: gemiddeld 30 keer dezelfde vraag beantwoord zien en bedenken in hoeverre ik dit antwoord nog goedkeur. Wacht even, heb ik dit antwoord van Lisa bij Tim nou wel of niet goed gerekend? Wees gerust, ik ga er geen ‘zeur essay’ van maken. Wel probeer ik vanuit mijn ervaring in de praktijk een inzicht te geven in het leraarschap, om op basis daarvan een aantal voorstellen te doen waarmee het onderwijs verbeterd zou kunnen worden.

Fabrieksleerlingen.

Vakantiedagen zijn er veel, maar er zijn maar weinig banen te  bedenken waarbij er zoveel ‘tussendoor’ komt. Nog even dit regelen, nog even dat gesprek voeren. Weet je wat nu het interessante is? Voor mij en veel van mijn collega’s is het vervelend, maar niet erg. Niet erg in de zin dat veel collega’s een hart hebben voor het onderwijs en voor de begeleiding van de ontwikkeling van een jong mens. Want dat is wat wij dagelijks doen: we helpen bij de vorming van jonge mensen. Dit doen we op intellectueel vlak, maar vaak wordt onderschat hoe groot de sociale impact van onderwijs kan zijn. Dat sociale aspect komt regelmatig door tijdgebrek flink onder druk te staan. Want ja, niet alleen studenten van hoger onderwijs en universiteit moeten binnen 4 jaar hun diploma behalen, ook van leerlingen verwacht de maatschappij dat zij binnen 4-6 jaar, afhankelijk van het niveau, een diploma halen.

Als docent bevind ik mij zo dus in een tweespalt: ik ben deels verantwoordelijk dat leerlingen binnen een gestelde termijn hun diploma halen, maar aan de andere kant ben ik deels verantwoordelijk voor hun vorming: het aanleren van manieren om over zaken na te denken (#linkse indoctrinatie?) en vooral zelf een mening te vormen. Zij moeten immers als zelfstandige burgers gaan functioneren in deze maatschappij. Zeker bij geschiedenis kunnen zij leren een mening te vormen en meerdere bronnen hiervoor te gebruiken. Naast de keurige Volkskrant en NRC dus ook de Telegraaf. Daar blijft het niet bij: Mijn leerlingen moeten ook weten wanneer Willem van Oranje is vermoord (van Buma moest ik ze zelfs leren zingen #chauvinistische indoctrinatie?).

Bij een voltijdsbaan geef je 20 lesuren. Vaak heb je dan ongeveer 8 klassen. (er zijn ook andere ‘taakuren’, er moeten tenslotte ook docenten op het schoolfeest zijn en meegaan met het schooluitje naar het Rijksmuseum (#HappyBuma). Om er echt goed te kunnen zijn voor alle leerlingen en er alles uit te halen wat er in zit acht ik het noodzakelijk dat het aantal lesuren voor een voltijdsbaan naar beneden wordt teruggebracht. De beschreven extra taken zijn (vaak leuke) onderdelen van de baan, dus die horen er zeker bij. Het zou voor de vorming van leerlingen beter zijn als de klassen, zowel in basis- als voortgezet onderwijs, kleiner worden.

Sociale gemeenschap.

Want naast het aanleren van kennis en vaardigheden, heeft onderwijs een ander belangrijk aspect: het is een sociale gemeenschap. Dit is waar de ongelijkheid de hoek om komt kijken. Wat is er precies aan de hand?

Zoals ik hierboven stelde, zorgt onderwijs ervoor dat leerlingen gevormd worden. Zij worden (bewust en onbewust) gevormd naar gedragsregels die voortkomen door ze op te leggen. Dit opleggen kan vanuit de leraar zijn, de ouders maar veel vaker dan dat, de groep. Groepsdruk of ‘peer pressure’ is een niet te onderschatten factor bij het gedrag van leerlingen. Dat is ook een belangrijke reden dat groepsdynamiek zo bepalend kan zijn en dat men het weleens heeft over ‘een lastige klas’. Eén ‘rotte appel’ is nog tot daar aan toe, maar een rotte appel met een grote mond die een dominante positie in de groep verwerft, kan lastig zijn. Het werkt dan vaak contraproductief om hier hard tegenin te gaan als docent. Samen met de klas vooraf regels opstellen werkt negen van de tien keer preventief. Als leerlingen zelf (het gevoel hebben dat ze) inspraak hebben, verdwijnt er al heel veel tegenstand.

Een groep heeft ook een andere kant die een stuk moeilijker op te lossen is. Hier gaat het om een breder probleem in het onderwijs. Dat probleem is het volgende: De doorstroming van leerlingen op een lager onderwijsniveau naar hogere wordt vaak bemoeilijkt door de diversiteit aan sociale normen die gesteld worden door groepen op hogere niveau’s. Uit onderzoek is gebleken dat vooroordelen bij kinderen onder de 10 jaar niet voorkomen, maar daarboven wel, zij het in verschillende mate.[1] Als individu is sprake van conformiteitsdrang en wederzijdse aanpassing[2], wat het erg lastig maakt als docent invloed uit te oefenen op het groepsproces en de houding van groepen naar leerlingen die anders denken of er anders uit zien. Dit werkt in de volwassenheid door. Het zou dus goed zijn als leerlingen uit andere culturen meer in dezelfde klas zitten, of dat scholen ervoor zorgen dat ze op z’n minst met elkaar in aanraking komen. Daarbij kan het geen kwaad groots te denken: de school waar ik werk heeft jaarlijks uitwisseling met scholieren uit Moskou en Pisa, Italië. Ook ken ik scholen die uitwisselingen hebben in Suriname en de Nederlandse Antillen. Het kan goed zijn voor leerlingen en docenten om daar te kijken hoe men dit vormgeeft. Echter, ook hier loop ik tegen zaken aan. Leuk, een uitwisseling naar Ghana, maar het kost toch een kleine 2000 euro in totaal. Zie daar maar eens aan te komen als gemiddelde student. Hier gaat het alleen nog om studenten, maar bedenk maar eens hoe naar het kan zijn als jij als enige scholier niet mee kan met de rest van de klas op een uitje of een kamp. Gelukkig hebben diverse scholen daar tegenwoordig potjes voor, maar nog lang niet allemaal, zeker niet op praktisch onderwijs, als daar al een schooluitje is.

Schoolomgeving.

Maar zit de ongelijkheid dan alleen aan de economische kant? Nee, zeker niet. Als we eens kijken naar het curriculum voor geschiedenis (voor andere vakken kan ik het moeilijk zeggen), valt op dat veruit het grootste deel West-Europese geschiedenis betreft. Dat is an sich logisch: Nederland ligt nu eenmaal in West-Europa en het West-Europese gedachtegoed en cultuur zijn dominant aanwezig in de samenleving. Mijns inziens is er echter te weinig ruimte voor andere culturen dan de West-Europese. In sommige geschiedenismethoden wordt de slavernij in de achttiende eeuw door middel van twee paragrafen behandeld. Tegelijkertijd staan we wel een heel hoofdstuk stil bij de Gouden Eeuw. Toen ik stage liep en we aankwamen bij de paragraaf over de opkomst van de Islam, werd mij door mijn stagebegeleider verteld dat we deze paragraaf over gingen slaan: “Daar hebben we geen tijd voor en het komt toch niet meer terug in het curriculum.”. Een erg pijnlijk moment wat me altijd is bijgebleven, was dat een meisje met hoofddoekje die les naar me toe kwam met de vraag waarom we die paragraaf, die tenslotte over haar cultuur ging, oversloegen. Daar sta je dan. Leg dat maar eens uit, zonder een collega af te vallen.

Aan de ene kant is het natuurlijk een foute keus van de collega. Ieder deel van de geschiedenis moet aan bod komen, juist ook de delen die niet over dat dominante westen gaan. Aan de andere kant: er is een curriculum en een tijdspanne. Je kunt niet bij alles stilstaan. Maar toch: dergelijke keuzes kunnen de motivatie voor leerlingen maken of breken. Hetzelfde geldt voor de groepsdynamiek en het veilig leerklimaat.

Schaduwonderwijs.

De ongelijkheid in het onderwijs wordt nog verder versterkt door het zogenaamde ‘schaduwonderwijs’. Uit een rapport van de Universiteit van Amsterdam blijkt dat de uitgaven aan schaduwonderwijs van een huishouden in Nederland tussen 1995 en 2016 van 25 miljoen naar 200 miljoen zijn gestegen.[3]

Aan de ene kant is dit een goede ontwikkeling: het laat zien dat veel ouders waarde hechten aan goed onderwijs en hun kinderen hierin willen ondersteunen. Aan de andere kant laat dit zien dat ook in het onderwijs ongelijke kansen op de loer liggen. De ouders uit Amsterdam zuid zullen waarschijnlijk meer bijlessen kunnen betalen voor hun kind dan de alleenstaande moeder in de Schilderswijk in Den Haag. Dat zorgt ervoor dat een kind van rijke ouders sneller een hoger diploma haalt en meer kansen heeft door te stromen naar hoger onderwijs. Dan heb ik het nog niet eens over het feit dat het voor zwarte scholen steeds moeilijker wordt goede docenten te werven, omdat die meer (om niet te zeggen ‘liever’) op witte scholen werken, met leerlingen met minder problemen. [4]

Salaris

“Waarom gaan er dan niet meer docenten op een zwarte school werken? Waarom hebben ze de moed niet om dat te doen?” Een ieder die dat zegt, zou ik willen vragen de film ‘Entre Les Murs’ te kijken. Deze film gaat over de witte docent Francois. Hij geeft les op een zwarte school waar diverse culturen bij elkaar in een klas zitten. Hoe hou je een groep samen van mensen met diverse achtergronden, uitgangspunten en vooroordelen? De Volkskrant schreef in een recensie dat het een ‘complexe ode aan het hedendaagse onderwijs’ was. Wat ik maar wil zeggen, is dat het niet zo gemakkelijk is te zeggen dat er dan maar meer mensen op die scholen moeten werken ‘omdat iedereen hard moet werken voor z’n geld.’ Als je dag in dag uit een gevecht moet leveren tegen een groep of de dreiging hebt van een gevecht, kan ik verklaren waarom zoveel mensen kiezen voor het VWO in de binnenstad van Leiden. En dat allemaal voor hetzelfde salaris van gemiddeld 4748 euro per maand voor iemand met ruime ervaring, een master en full time.[5] Dat is an sich helemaal niet zo slecht. Dat gezegd hebbende: met een master geef je meestal les aan Havo en VWO, maar de grootste pedagogische uitdaging ligt juist bij de groepen waar een bachelor vaak genoeg voor is. De markt zegt op dat moment: ‘Ha! Je hebt ‘alleen maar’  een bachelor, dus verdien je ongeveer 1000 euro minder!’ Werken in het onderwijs, durft u het aan?!

Cijfermatige aanpak

Nu is het salaris niet eens heel slecht. Er zijn echter meer problemen in deze sector. Een laatste punt van kritiek betreft de cijfermatige aanpak van dit moment. Dat begint al aan het eind van de basisschool: op basis van de nio- of citoscore en een advies van de docent komt een kind terecht op een bepaald niveau op de middelbare school. Over dat laatste is heel wat te doen geweest. In hoeverre is het wenselijk dat een docent invloed heeft op het niveau van een kind bij het verlaten van de basisschool? Er zijn immers veel ouders die met diverse middelen (financieel tot regelrechte (be) dreiging) een hoger schooladvies voor hun kind via de docent afdwingen.

Op de middelbare school wacht opnieuw becijfering. Het is zelfs zo dat cijfers kunnen zorgen voor externe motivatie bij leerlingen. Maar wat als je nu niet zo goed mee kunt komen? Wat als jou talenten buiten het curriculum liggen, vastgesteld door intelligente mensen die, net als iedereen, toch vanuit een kamer, misschien wel in een toren van ivoor, hun werk doen. Als jij niet goed bent in schrijven, moet ik jou dan de opdracht geven een verslag te schrijven omdat dat in het curriculum is vastgesteld? Ik kies ervoor om, waar mogelijk, keuzes te geven. Ja, je mag een verslag schrijven over jou belevenissen als Jood of Jodin in Duitsland in 1941. Je mag ook een lied schrijven voor de Hitlerjugend (#rechtse indoctrinatie?). Je mag ook een poster maken voor de NSDAP. Zolang je maar kunt verantwoorden waarom jij vanuit dat standpunt dingen maakt. Hoe je ze maakt, is voor een groot deel aan jou. Laten we die ruimte alsjeblieft behouden en vertrouwen op de professionaliteit van de docent, die ook, zelfs met een bachelor, hoogopgeleid is en in veel gevallen prima weet wat goed is voor zijn of haar leerlingen. Een vraag aan de lezer om dit alles te onderstrepen is de volgende: “Wie van jullie weet nog zijn of haar exacte cito- of nio score?” Knap als je het inderdaad precies weet. Een tweede vraag: “Wie van jullie weet nog de naam van zijn of haar favoriete docent en wat maakte hem/haar zo bijzonder?”

Precies dit is waar onderwijs volgens mij om draait.

 

 

Literatuur.
Bruin, K., Heijde, van der, H., Intercultureel onderwijs in de praktijk. Uitgeverij Coutinho, vijfde druk, 2014, Bussum.

Bronnen van het internet:
https://ambtenarensalaris.nl/wp-content/uploads/2018/08/CAO-VO-2018-2019_salarisschalen.pdf.
https://nos.nl/artikel/2279802-lerarentekort-zwarte-scholen-nijpend.html.
https://www.nro.nl/wp-content/uploads/2019/06/rapport-schaduwonderwijs-Elffers-Jansen-2019.pdf, p. 8.

[1] Bruin, K., Heijde, van der, H., Intercultureel onderwijs in de praktijk. Uitgeverij Coutinho, vijfde druk, 2014, Bussum, p. 63.

[2] Idem, p. 68-69.

[3] https://www.nro.nl/wp-content/uploads/2019/06/rapport-schaduwonderwijs-Elffers-Jansen-2019.pdf, p. 8.

[4] https://nos.nl/artikel/2279802-lerarentekort-zwarte-scholen-nijpend.html, geraadpleegd 4 augustus 2019.

[5] https://ambtenarensalaris.nl/wp-content/uploads/2018/08/CAO-VO-2018-2019_salarisschalen.pdf (LC schaal).