ING: incidentele #OPHEF over een structureel probleem

De afgelopen dagen was er sprake van #OPHEF. De directeur van ING, Ralph Hamers, kreeg 50% meer per jaar, terwijl zijn medewerkers maar een kleine 2% extra kregen. Voor de rest waren alle voorwaarden voor #OPHEF aanwezig: het is verkiezingstijd, de communicatie van ING was miserabel en de toelage was buitenproportioneel.

bron afbeelding: http://thecontextofthings.com/2016/11/19/bonus-pay/

Gebruikmakend van dit media-haakje schreef ik een essay waarin ik enigszins cynisch reageerde. Het essay lag bij een redacteur, ik werd vrolijk wakker en tot mijn stomme verbazing: “ING trekt salarisverhoging Hamers in”. Voor mij een louterende ervaring, ik had de ophef immers net zinloos geblaf genoemd.

Desalniettemin publiceer ik bij deze toch het essay: puur om te lachen over hoe ik hopeloos ben ingehaald door de realiteit. Bovendien sta ik nog steeds achter de grootste delen van dit essay: ook al is dit “incident” “opgelost”, denk ik niet dat het structurele probleem is verholpen (in extreme: inkomensongelijkheid).

Het essay dat sinds vanochtend lichtelijk irrelevant is

“Frank, jij bent toch zo’n socialist? Wat vind jou nou van al die ophef over de ING?”, vroeg m’n leidinggevende me. Ik moest even nadenken. Ik had eigenlijk weinig aandacht besteed aan de kwestie en was ook niet thuis in de gekozen lijn van de PvdA. Ik vermoedde dat deze een nette versie zou zijn van het mantra: “vies grootkapitaal; graaibankiers”.

Misschien ben ik te elitair geworden – te versmolten met dat grootkapitaal door mijn werk - want ik heb het idee dat mijn antwoord mijn leidinggevende enigszins verbaasde. Maar voordat ik mijn reactie deel, ga ik je eerst vervelen met een aantal disclaimers en politiek-filosofisch gekeuvel.

De politiek verzaakt haar kerntaak

In mijn optiek heeft een partij op nationaal niveau drie kerntaken:

  1. het dient concreet beleid te bedenken, te steunen of te verwerpen;
  2. het moet de regering samenstellen en controleren;
  3. en het heeft een signaleringsfunctie met betrekking tot maatschappelijke kwesties in debatten.

Tot mijn grote spijt lijkt de eerste functie steeds minder belangrijk en lijkt de maatschappij juist steeds meer te vragen van de signaleringsfunctie van de politiek. “Vroegah” werd veel signalerende retoriek en actie onderschattend en denigrerend afgedaan met de counter: “dat is toch symboolpolitiek” –  nu vrees ik dat we deze signaleringsfunctie collectief overschatten.

Het Zwarte Pietendebat, maar dan met bankiers

In extreme probeer ik het volgende te zeggen: een kwestie als het zwarte pietendebat los je niet op met wetgeving en beleid, en de signaleringsfunctie van de politiek is te zwak om deze met woorden op te lossen. Maar politieke partijen profileren zich wel op dit soort issues, in mijn optiek ten koste van een heldere visie op uitvoerbaar en concreet beleid. Het zwarte pietendebat, dat is een hearts and minds-campagne die moet worden gevoerd in sportkantines en aan de keukentafel, en die moet niet worden misbruikt door politici zonder beleidsideeën om hun partij te profileren (bijv. de huidige GR-campagne van de VVD).

Het ING-debat voltrekt zich langs diezelfde lijn. Politieke partijen doen een wedstrijdje ING veroordelen (signalering) – er wordt gedreigd met waarschijnlijk onuitvoerbare of politiek onmogelijke spoedwetten – maar visionair beleid blijft uit. Moedig zou ik vinden: “De bank van het Rijk is ING, we zijn het oneens met het beleid, dus ruilen we ING in voor een andere bank”. Dat heeft tanden en is uitvoerbaar. Dan heb je én concreet beleid én een helder signaal.

Geen inkomensgrens, maar een grens aan vermogen

Maar niet alleen nuanceer ik graag de rol van de politiek ten opzichte van deze kwestie, ook op principieel vlak sta ik er tamelijk ambivalent in: Ideologisch gezien geloof ik namelijk dat iedereen zoveel geld mag krijgen als dat ze verdienen. In die zin geloof ik in marktwerking.

Maar ik vind wel dat er een grens zou moeten zitten op hoeveel iemand mag hebben. Inkomens mogen torenhoog zijn en buitensporige inkomensbelasting hoeft van mij niet, maar de kapitaalbelasting en erfbelasting mogen bijna ongekend proportioneel blijven stijgen tot een hoogte van misschien wel 90%. Tot dit geregeld is, heb ik echter helemaal geen probleem met een progressieve inkomensbelasting.

Dus toen mijn leidinggevende mij vroeg wat ik vond van al die ophef, haalde ik rustig mijn schouders op. Het boeide me niet zo. Ik vind de inkomensstijging van Ralph Hamers buitensporig en scheef, maar op basis van mijn eigen ideologisch kader niet per se de as van het kwaad. En als je dan al gaat blaffen als politiek, dan vind ik ook dat je ook echt moet bijten, zoals Klaver met z’n spoedwet (coalitiepartijen, laat maar eens zien hoe erg je het echt vindt), al ben ik wel benieuwd naar de tekst.

“Maar Frank, wie mogen er van jou dan wel boos zijn?”

De werknemers van ING. Als ik bij ING zou werken, zou ik uit mijn slof schieten.

“Mijn baas krijgt 50% en ik een kleine 2%?

Terwijl de DNB, MinFin, het IMF en zo’n beetje elke andere serieuze economische waakhond pleit voor ruimhartige loonsverhoging?

Donder op…”

Wat mij betreft hoeft Jesse dus niet alleen een extra controlerende taak bij het Ministerie van Financiën te beleggen, maar mag je ook best de OR van grote organisaties wat meer tanden geven. Dan zijn de medewerkers tenminste echt in staat om de ING te straffen voor buitensporige salarissen voor de top en gebrekkige lonen voor de rest.