Jan Pronk heeft principes, maar ze kosten niets

Jan Pronk heeft zijn lidmaatschap van de PvdA opgezegd. Er moet onderhand op het partijbureau van de PvdA een aparte lade zijn, ‘teleurgestelde oude voormannen.’ Pronk voegt zich bij Marcel van Dam en anderen, in de traditie van de eigen oude partij nog even in kwaad daglicht zetten. Een teken aan de wand, zoals Jelmer Renema onlangs schreef. Misschien, maar vooral toch ook een goedkoop en misplaatst statement, waar politici van nu zich vooral niet te veel van aan moeten trekken.

Het opzeggen van je lidmaatschap van een sportclub is van praktische aard. Je kan best nog van voetbal houden, maar elke zondagmiddag tussen 14:00 en 15:30 iets anders willen gaan doen. Je voetbalvrienden blijken je voetbalvrienden, tijden veranderen. Dat werkt bij politieke partijen kennelijk ook zo, maar dan net even anders.

Net even anders, want van een politieke partij ben je waarschijnlijk ooit lid geworden niet per se om het beoefenen van de sport, maar om een bepaald gevoel van verwantschap met die club. Verwantschap en gedeelde idealen. Vaak vaag en niet direct goed onder woorden te brengen zonder te vervallen in clichés, maar de verwantschap is er en is verre van praktisch. Het is je club, je ideaal, de mooiste van allemaal, zoals een Amsterdams filosoof ooit zong. Lid ben je dan voor het leven, want uitgespeeld zoals bij een sportclub raak je nooit, het zit immers in je DNA als de kleur van je ogen. Voor altijd dan toch, meneer Pronk?

Nee dus. Jan Pronk zegde deze week zijn lidmaatschap van de PvdA, zijn club sinds 1 januari 1965, op. Hij was al een tijdje gestopt met het actief beoefenen van de sport, maar nu voelde hij ook de verwantschap niet meer. ‘De PvdA is niet sociaal democratisch meer’, aldus Jan Pronk. En hoewel ik me in een deel van de kritiek van Pronk aan het adres van de PvdA wel herken, voelt het opzeggen van zijn lidmaatschap ook een beetje wrang. En wel hierom:

Pronk schrijft in zijn lange afscheidsbrief aan het bestuur – maar deze is ook openbaar gemaakt dus is in principe een open statement – dat hij zich niet meer verwant voelt met de PvdA. Hij is sociaaldemocraat, de PvdA is dat in zijn ogen niet meer. Waar is dat op gebaseerd? Pronk noemt twee concrete voorbeelden: het veelbesproken strafbaar stellen van illegaliteit en het loslaten van de 0,7% norm voor ontwikkelingssamenwerking. Beide punten zijn essentieel en behoren volgens Pronk tot de beginselen, je zou kunnen zeggen de missie van de PvdA. Dat juist nu, met de PvdA aan de knoppen en in het kabinet, die strafbaarstelling en het loslaten van de 0,7% norm mogelijk gemaakt worden is voor hem niet te verteren. En dan, om dat punt ultiem kracht bij te zetten, zegt hij zijn lidmaatschap op. De wegen scheiden.

Even een veiligheidsalinea. Jan Pronk ken ik niet bijzonder goed. Zoals ook Jelmer Renema schrijft was ik erg jong toen Jan Pronk door Afrika trok. Dat Pronk dus ongetwijfeld goed werk heeft verricht, het hart op de goede plek heeft, staat ook op basis van de reacties van velen op zijn besluit, buiten kijf. Echter, het opzeggen van zijn lidmaatschap is wat mij betreft ook een goedkoop statement. Goedkoop omdat Pronk nu geen verantwoordelijkheid meer draagt, de verantwoordelijkheid die hij als politicus ongeveer dertig jaar lang wel droeg. Nu hij gestopt is met sporten kan hij gemakkelijk zijn principes laten prevaleren. Te laat.

Het schisma tussen Pronk en de PvdA heeft zich, zo schrijft Pronk, pas de laatste jaren gevormd. De PvdA is niet sociaal democratisch meer en dit is iets van de laatste tijd. Nadrukkelijk stelt Pronk dat dit gebeurd is in de jaren na Paars. Eerst in de jaren van verwarring en daarna in de huidige jaren van aanpassing aan rechts. Pronk definieert in de periode na de tweede wereldoorlog als handige werkelijkheidsconstructie 7 ongeveer gelijke perioden van politiek. Binnen die constructie noemt Pronk de jaren ten tijde van Paars voor het gemak ‘de Paarse coalitievorming’, wat dat ook moge betekenen. Na die tijd van coalitievorming kwamen dus nog ‘verwarring’ en ‘aanpassing aan rechts’, om te komen waar we nu zijn.

Nadrukkelijk zegt Pronk dat het befaamde afleggen van de ideologische veren, in de kabinetten Kok waar Pronk deel van uitmaakte, verkeerd is begrepen. De partij schudde haar veren inderdaad af, maar de ideologische kern bleef in zijn ogen behouden - ‘we lieten niemand los.’ Dat er en masse vermarkt werd, de overheid zich terugtrok en ongeveer het halve land geprivatiseerd werd (lees bijvoorbeeld Het land is moe, Tony Judt 2010), laat Pronk onbesproken. Dit gebeurde natuurlijk niet alleen in Nederland, maar in heel Europa. Over aanpassing aan rechts gesproken. Maar nu, nu is het volgens Pronk dus te bont, anno 2013 worden principes en beginselen pas echt verloochend!

Er zijn een aantal argumenten aan te voeren waarom het vaarwel van Pronk als statement naast goedkoop, hij kan het nu zonder verantwoordelijkheid en vanuit gepensioneerde positie makkelijk doen, ook misplaatst is. Ten eerste is het grootste deel van de nu zo gehate vreemdelingenproblematiek ontstaan in de 30 jaar dat Pronk actief politicus was. Ook het probleem, immigratie zonder idee of visie, is in die tijd ontsproten. De vreemdelingenwet, die detentie van vreemdelingen überhaupt mogelijk maakt, is geschreven toen ook Pronk in het kabinet zat. Dus nu heel hard op een trommel slaan omdat illegaliteit strafbaar wordt gesteld, toch vooral een symbool, is toch vreemd.

Bovendien, de inkomensverschillen, binnen Nederland, binnen Europa en tussen de westerse wereld en Afrika zijn in de dertig jaar dat Pronk in de politiek zat de pan uit gerezen. De sociaaldemocraten hebben de definitieve doorbraak van de markt, het kapitalisme en het snelle geld in de bankenwereld medemogelijk gemaakt, door al deregulerend de veren af te schudden. De problemen waar Nederland nu voor staat, op de woningmarkt, ook daar was Pronk een tijdje minister, en de arbeidsmarkt met zijn lege pensioenpotten, zijn problemen die nu zo groot zijn omdat politici als Pronk die jarenlang voor zich uit hebben geschoven. Het waren heilige huisjes. Om over duurzaamheid maar te zwijgen. Het is een generatie politici geweest die met Pronk sociale principes en beginselen heel ver hebben opgerekt, hebben hervormd en herschreven. Misschien niet altijd zonder goede reden en ‘in de geest van de tijd’, maar wel te ongeremd en met destructieve gevolgen.

Met al het bovenstaande in het achterhoofd voelt de kritiek van Pronk aan het adres van Samsom en de huidige PvdA nu goedkoop en misplaatst. Ook al is Pronk een symbool geworden van veel goed werk, hij is ook een symbool van een politiek van veren afschudden en vooruit schuiven. Door nu plots te kiezen voor principes en de partij te verlaten die hem zo lang zo goed diende en die hij zolang gediend heeft, is onterecht. Juist nu, met Nederland in een lastig pakket, tonen politici moed en worden akkoorden gesloten en hervormingen doorgezet. Juist nu zou de generatie van Pronk een compliment uit moeten delen, in plaats van een lidmaatschap op te zeggen.

De twee punten die Pronk aanhaalt, de strafbaarstelling en de 0,7% norm, zijn pijnlijk en soms moeilijk te verteren, maar daar tegenover staat bijvoorbeeld een kinderpardon en het werk dat ministers als Ploumen of Frans Timmermans nu in de geest van Pronk in de wereld doen.

Jan Pronk is een man van formaat, maar deze week heeft hij glans verloren, door vanuit een gemakkelijke positie, zonder verantwoordelijkheid, zo’n statement te maken. De PvdA is misschien geen sociaaldemocratische partij meer zoals die ooit bedoeld is, maar die beweging heeft zich al veel eerder ingezet en Pronk stond erbij en keek ernaar. Juist de politici van nu die problemen te lijf gaan - Dijsselbloem, Samsom, Timmermans, Asscher en Ploumen - verdienen meer dan een sneer van Pronk. Jan Pronk zou voor straf nog 100 jaar lid moeten blijven.