Je bent vrij in alles, maar je nationale identiteit staat vast

Sinds er in Nederland een stevig debat wordt gevoerd over de EU en de Europese integratie, wordt steeds vaker het belang van de sterke nationale identiteit genoemd. Deze nationale identiteit, en alles wat onder die noemer valt, zou bedreigd worden door de EU. Wat nationale identiteit nou precies betekent blijft echter altijd vaag. Is nationale identiteit een verzonnen middeltje om top-down saamhorigheid te bevorderen of is het onlosmakelijk aan je verbonden zoals je vingerafdruk of je kleur ogen?

bron afbeelding: © flabbervlaggen

Nationale identiteit is een zeer lastig onderwerp. Iedereen maakt er zijn eigen voorstelling van en toch is er een soort algemeen verwachtingspatroon van wat het zou moeten zijn. Een nationale identiteit, en dus ook de Nederlandse, is simpel gezegd een vorm van identiteit. Het woord identiteit stamt af van het Latijnse ‘idem’, wat ‘hetzelfde’ betekent. Identiteit is in de meest letterlijke zin hetgeen mensen als ‘hetzelfde’ beschouwen. Doordat het concept identiteit gaat over ‘hetzelfde’, laat het daarmee ook altijd een hoop zaken zien die ‘niet hetzelfde’ zijn. Ieder mens maakt in zijn leven een proces door waarin hij of zij besluit of ervaart wat hoort bij ‘hetzelfde’ en wat hoort bij ‘niet hetzelfde’ (de ander). Misschien wel het meest herkenbaar is dit in de periode tussen de leeftijd van twaalf en zestien jaar, wanneer vele pubers kortstondig in de knoop raken met de vraag wie ze nou precies zijn en hoe ze zich verhouden ten opzichte van ´hetzelfde´ of ´de ander´.

Identiteit wordt in de wetenschap gezien als een sociaal construct, oftewel een door een groep mensen gecreëerde imaginaire verbintenis, die gekozen of verworpen kan worden.[1] Identiteit is niet iets dat bij de geboorte onlosmakelijk aan iemand verbonden is. Iedereen mag zelf verzinnen dat hij of zij vanaf een bepaald moment bijvoorbeeld ‘gothic’, ‘hipster’ of ‘treehugger’ wil zijn.

In de politiek lijkt Identiteit veelal een ietwat andere betekenis te hebben. Het politieke concept identiteit lijkt een aantal elementen te bevatten die het in algemene zin niet hoeft te bevatten. Wanneer men in politieke zin spreekt over identiteit gaat het vaak niet over een persoonlijke keuze die iemand gemaakt heeft, maar over een vaststaande identiteit die onlosmakelijk aan een collectief van mensen verbonden is. Dit lijkt logisch, want over ieders persoonlijke identiteit praten is vrij zinloos binnen het besturen van een samenleving. Politici spreken bijvoorbeeld over ‘de ouderen’, ‘de Friezen’, ‘de Surinamers’ of ‘de Nederlanders’. Hierbij wordt de bedoelde personen niet de keuze geboden om hier wel of niet onder te vallen.

Opmerkelijk is dat er een verschil is tussen de identiteit waar iemand actief voor kan kiezen en een identiteit die aan iemand wordt opgelegd of toegeschreven. Ik kan bijvoorbeeld actief besluiten dat ik me verbonden voel met de groep van Hawaïanen of springruiters, ook al heb ik met beiden weinig op. Er worden mij echter ook een hoop identiteiten toegeschreven, zoals bijvoorbeeld nerd, lelijke man of Nederlander. Over de laatsten heb ik weinig te beslissen, ook al zou mijn persoonlijke identiteitsonderhandeling er toch echt moeite mee kunnen hebben.

In de politiek is de meest besproken identiteit de nationale identiteit. Dit is basaal gezegd de toevoeging nationaal aan iemands identiteit. Het aparte aan de nationale identiteit is dat deze vaak niet wordt gezien als een keuze, terwijl zo goed als alle andere uitkomsten van iemands identiteitsbepaling algemeen gezien worden als persoonlijke keuzes. Het is mogelijk dat ik actief kies voor een Nederlandse nationale identiteit en ik mij verbonden voel met wat ik daar dan ook onder schaar. Het is echter gebruikelijker dat er voor mij bepaald wordt dat ik behoor tot de Nederlandse nationale identiteit terwijl ik me daar misschien wel totaal niet prettig bij voel. Politiek gezien doet het er weinig toe of ik de aan mij toegeschreven nationale identiteit ook accepteer. Nationale identiteit is politiek gezien geen actieve, maar een passief toegeschreven identiteit.

Zou het dan zo zijn dat het grondgebied van de staat waarbinnen iemand woont of geboren is onlosmakelijk met iemands identiteit verbonden is? Is een territoriale identiteit de enige identiteit die geen sociaal construct is? Dit lijkt moeilijk te accepteren, omdat bij andere territoriale identiteiten men toch echt een keuze lijkt te hebben. Ik kan bijvoorbeeld in Amsterdam wonen, maar toch echt geen Amsterdammer zijn. Ik kan in België geboren worden, maar echt helemaal niets op hebben met het ‘Belg zijn’.

De persoonlijke keuze die algemeen (wetenschappelijk) geaccepteerd wordt in iemands identiteit, komt in conflict met het idee van collectieve nationale identiteiten. Deze zijn namelijk niet altijd een keuze. Ze worden voornamelijk besproken in de politiek of media en er worden zaken aan verbonden waar vast en zeker niet iedereen zich achter schaart. Waarom zou ik bijvoorbeeld een bepaalde kleur (oranje), een bepaalde herdenkingswijze (4 mei) of een lied (koningslied) moeten accepteren als symbool voor mijn nationale identiteit? De onenigheid over wat een nationale identiteit inhoudt lijkt mij een prachtig argument om hem niet zomaar aan eenieder op te leggen. En als u nu stelt dat het ‘een gevoelskwestie’ is, laten we dan toch ook concluderen dat iedereen dat gevoel lekker voor zichzelf bepaalt.

Een redelijk argument voor het politieke gebruik van het concept nationale identiteit zou kunnen zijn dat er goede opiniepeilingen zijn die vast kunnen stellen waar mensen zich binnen een staat het meest mee identificeren. Dit zou dan vastgesteld kunnen worden en vormgegeven worden in iets dat we dan de nationale identiteit noemen. Paradoxaal genoeg wordt nationale identiteit door het puur te peilen toch een sociaal construct. Als men in Nederland bijvoorbeeld massaal zou besluiten om hooggebergtes en paars met de nationale identiteit te verbinden, zou dat er uit komen als nationale identiteit. Dit wringt echter, omdat er bepaalde vaststaande elementen zijn waarvan verwacht wordt dat ze in de nationale identiteit zitten. Hier valt te denken aan de taal, de geschiedenis en de geografische kenmerken. Zo is het dus niet een puur persoonlijke keuze binnen een groter sociaal construct.

Misschien identificeren mensen zich in een staat wel het meest met de vrijheid om voor jezelf vast te stellen wat je identiteit inhoudt. Als dat zo is dan zou dat misschien de nationale identiteit kunnen vormen. Als deze vrijheid echter in de nationale identiteit van het aangrenzende land ook het belangrijkste aspect is, kunnen we vaststellen dat we toch vrij veel ‘hetzelfde’ hebben en niet zo ‘anders’ zijn. Waarom dan nog spreken van een nationale identiteit als hetgeen wat we er het meest aan verbinden gedeeld wordt door degenen van wie we ons willen onderscheiden?

Als we het al niet eens kunnen worden over wat de Nederlandse nationale identiteit inhoudt. Als niemand weet of het nou gaat om de Joods-Christelijk-Humanistische traditie, het voetbal, de grachten, de hagelslag, het vieren van Sinterklaas, de tulpen, het koningshuis of misschien zelfs onze VOC-mentaliteit, waarom zou de nationale identiteit dan de enige identiteit zijn waar je niet voor kan kiezen? Zou het niet logischer zijn dat als ik mij Nederlander voel vanwege de domme dingen die wij op bepaalde dagen in oranje kledij doen, dat dit mijn oranje-identiteit heet? Niemand kan toch redelijkerwijs dit soort culturele uitspattingen kapen om er vervolgens politieke claims aan te verbinden gestoeld op een vermeende ‘nationale identiteit’?

Als ik me in al mijn vrijheid geen Nederlander wil voelen, maar Europeaan of desnoods Haïtiaan, dan is dat toch mijn goed recht? En als dat niet zo is en ik dien een nationale identiteit te hebben, waarom kan niemand het er dan over eens worden wat deze identiteit inhoudt, terwijl men er wel prat op gaat dat het bestaat? Eigenlijk wordt er gesteld: “Dit zijn wij, we hebben geen idee wat het inhoudt, maar je hoort er bij, of je wil of niet.”


[1] Standaardwerk in de Geschiedschrijving en Politieke Wetenschappen:
Benedict Anderson, Imagined Communities: Reflections on the Origin and Spread of Nationalism. Revised 2nd edition (London: Verso, 1991)
Standaardwerk binnen een sociologische benadering van identiteit:
Peter Weinreich and Wendy Saunderson, eds. Analysing Identity: Cross-Cultural, Societal and Clinical Contexts (London: Routledge, 2003)

Notice: Trying to access array offset on value of type bool in /www/wp-content/plugins/advanced-custom-fields-pro/includes/api/api-template.php on line 499