De ‘kneuzen’ in Den Haag doen er toe

In zijn boek Wij begrijpen elkaar uitstekend, met als ondertitel ‘De permanente wurggreep van pers en politiek’, schetst NRC-journalist Pieter van Os een niet al te rooskleurig beeld van politiek Den Haag. Een plek vergeven van opportunisme en hypes. Van Os werkte als politiek verslaggever in Den Haag, om daar de gebeurtenissen te volgen. Te volgen, want al snel kwam hij erachter dat politiek journalisten naast goed moeten schrijven en scherp moeten analyseren, vooral op de juiste plaats moeten zijn. Om een quote op te vangen. Het is in Den Haag een spel, waar politici maar wat graag aan mee doen. Echter, in plaats van gedesillusioneerd neer te kijken op deze Haagse wereld, heeft Van Os een andere boodschap.

Van Os weet in zijn boek namelijk smakelijke anekdotes te vertellen over het lot van een politiek journalist in Den Haag, maar haalde onlangs de opiniepagina’s met een aanval op dat wat hij noemt ‘salonpopulisme’. Een vorm van populisme, die naast het mainstream populisme van Fortuyn, Verdonk en Wilders, van een meer elitaire aard is. Gerenommeerde publicisten en columnisten worden door Van Os onder deze noemer geschoven – van Bas Heijne tot Marc Chavannes. De boodschap van deze scherpschrijvers is volgens Van Os steevast: het gaat in Den Haag nooit waar het over zou moeten gaan, de politici zijn incapabel en het parlement is eigenlijk een overbodige hindernis op weg naar een beter Nederland geworden. Dat is een boodschap die blijft hangen, omdat ze krachtig is en aanspreekt. Maar klopt de boodschap ook? Van Os ontkracht de aantijgingen om te eindigen met een oproep voor betere journalistiek.

Ten eerste het probleem van de vermeende onbenulligheid, de ondraaglijke lichtheid van de onderwerpen besproken in de Tweede Kamer. Vaak hoor je het algemene voor waar aangenomen idee dat er in de Tweede Kamer vooral nog wordt gedebatteerd over de niet fundamentele, maar wel mediagenieke onderwerpen, naar aanleiding van een hype of storm in een glas water. De politiek doet er niet toe, als omkering van de befaamde uitspraak van Joop den Uyl (‘Politiek doet ertoe’). ‘Vertel dat maar aan een medewerker van de publieke omroep of in de thuiszorg’, schrijft Van Os. Hoewel lang niet alle onderwerpen even diepgaand of meeslepend zijn, maakt de politiek voor veel mensen wel degelijk verschil.

Ten tweede schrijft iemand als Grunberg: politiek is een ‘hobby voor kneusjes’. Of Chavannes: de politici zijn ‘incapabel’ en ‘bewegend behang’. Cliteur schrijft: in Den Haag ‘overheerst het onvermogen’. Het zijn stellingen die, zoals het een populist betaamt, niet lijken te stroken met de inhoud – het gemiddelde opleidingsniveau steeg in de Tweede Kamer in tien jaar harder dan gemiddeld in heel Nederland. De salonpopulist volgt het debat in Den Haag op de voet, maar schrijft eigenlijk zelden over de inhoud en beroept zich niet op feiten. Veel vaker schrijft hij (het zijn over het algemeen mannen) over het niveau van het debat, of roept hij om betere volksvertegenwoordiging. Politieke partijen zijn ondertussen ten dode opgeschreven – als lege hulzen uit het verleden – en politici zijn baantjesjagende en wachtgeldgraaiende opportunisten. Verkiezingen, dat zijn in het jargon van de salonpopulist eenmalige oprispingen in een schijndemocratie. Wanneer de kneuzen in Den Haag toch het onmogelijke presteren – door het sluiten van een Lente- of Sociaal Akkoord – wordt dit weggeschreven als klein bier. ‘Morgen weer achterhaald.’

Tot slot is daar het derde stokpaard van de salonpopulist: het parlement als hindernis. De snel scorende politici die het aantal Kamervragen, spoeddebatten en amendementen de pan uit heeft doen rijzen. Van Os concludeert simpelweg: daar waar vroeger het parlement oninteressant was – de regering regeerde en het parlement had het nakijken, speelt de Tweede Kamer (en sinds kort ook de Eerste Kamer) een veel actievere en zichtbaardere rol in de besluitvorming. Dat is geen hindernis, maar een parlementaire democratie!

Van Os typeert een slag journalistiek dat vooral gevonden wordt in kwaliteitskranten of in programma’s als Pauw en Witteman en DWDD. Niet de JSF is interessant, het tobben en draaien van de PvdA is interessant. Niet de inoud van het Sociaal Akkoord wordt besproken, het gebrek aan draagkracht in de Eerste Kamer wordt besproken. Niet het werk van Lilianne Ploumen als minister voor Ontwikkelingssamenwerking is nieuws, maar Jan Pronk die zijn lidmaatschap van de PvdA opzegt is nieuws. Politici worden niet aangesproken op de kwaliteit van hun ideeën, maar op de ‘virtuele werkelijkheid’ van de peilingen en het ‘gebrek aan vertrouwen.’

Van Os beschrijft hoe de houding van salonpopulisten, gecombineerd met hun invloedrijke positie op prominente plaatsen aan televisietafels of in de krant, ‘vernietigend kan werken.’ ‘Door afstand te nemen van de hele politiek, dreigt hij een self-fulfilling prophecy te creëren. Wie Nederlanders overtuigt dat politici onbetrouwbare domoren zijn en het bestel slechts leidt tot visieloze ‘accijnsmixen’, vergroot de aantrekkelijkheid van deze werkplek niet.’

Natuurlijk is het niet primair de verantwoordelijkheid van journalisten om het vak politicus van een hoog aanzien te voorzien. Het zou echter wel al veel schelen wanneer politici op hun merites, in plaats van op stereotypen en spookbeelden zouden worden afgerekend. Want de journalistiek krijgt de politiek die ze verdient, aldus Van Os. Zijn boek is dan uiteindelijk ook een pleidooi voor serieuze journalistiek, over serieuze politiek. 

Meer horen: vrijdag 1 november bespreekt Pieter van Os zijn boek op het hoofdkantoor van de NRC in Amsterdam (18:30), met max. 18 geïnteresseerden leden / schrijvers van de Jong WBS / Stuuf. Aanmelding via www.facebook.nl/schrijversbijeenkomst