Kunnen We Pim Nu Eindelijk Begraven?

Toen ik als nieuw PvdA-lid een rondleiding kreeg door de Tweede Kamer, werd mij een opmerkelijk verhaald verteld: na de moord op Fortuyn was de fractie bijeen gekomen om – met de lichten uit – vanuit de Regentenkamer naar de rellende meute op het Plein te kijken. Verscholen achter de gordijnen voelde men zich veilig in de kennis dat de doorsnee Haagse relschopper de traditionele verdeling van vergaderzalen in de Kamergebouwen niet kent. Anders, zo verzekerde mijn gids, had het stenen geregend.

bron afbeelding: Wikimedia Commons: Wouter Engler

Sindsdien is de angst voor Fortuyn en zijn nazaten er niet minder om geworden. Het hele politieke spectrum, van links tot rechts, doet het in zijn broek als de door hem naar voren geschoven thema’s aan de orde komen. Bang om de boze burger teleur te stellen buigt men mee met de extremistische relschoppers die deze week in Steenbergen hun ware gezicht lieten zien.

Gelukkig begint er langzamerhand een tegenbeweging te ontstaan. Er is een stille meerderheid aan het opkomen van mensen die misschien niet allemaal in Calais dekens staan uit te delen, maar die zelf gewoon veel te fatsoenlijk zijn om geassocieerd te willen worden met neonazi’s. Mensen zijn het zat dat een klein groepje haatschreeuwers het volledige debat gegijzeld heeft. Die types horen thuis waar ze in de jaren 90 zaten: in een politiek isolement. Ze hebben het volste recht om hun mening te hebben, maar de rest van de maatschappij heeft geen enkele verplichting om die mening over te nemen of om mee te buigen. En dat gebeurt wel. Uit angst om voor landverrader uitgemaakt te worden. Uit angst om een horde trollen op je Twitter te krijgen. Uit angst om niet meer verkozen te worden. Angst angst angst angst angst.

Het moment is daar om eens flink tegengas te geven tegen de erfenis van Fortuyn: islam-bashen, vreemdelingenhaat, volksgericht. De tijd is er rijp voor. Je ziet het aan het feit dat het gedrag van de extreemrechtse meute op internet langzaam maar in de media doordringt. Je ziet het aan de berg sympathie die de ene dame kreeg die wel voor de vreemdelingen op durfde te komen. Je ziet het aan de krantenkoppen van vandaag. “Wie durft hen nog tegen te spreken?“, boven een man die de Hitlergroet brengt. Dat is geen vraag, het is een uitnodiging.

Hoe het moet, toonde de Leidse burgemeester Lenferink vorig jaar met de affaire rondom Benno L. Hij hield z’n poot stijf, en dat was alles wat nodig was. Het soort politieke hooligans dat we van de week zagen optreden heeft niemand nodig om zich buitenspel te zetten: dat kunnen ze prima zelf. Je moet ze alleen even een paar daagjes de tijd geven.

Toen veroordeelde pedofiel Benno L. in Leiden kwam te wonen, kwam er al snel een volksgericht tegen zijn aanwezigheid. Er werd een ultimatum gesteld, dat hij voor een bepaalde tijd de stad uit moest zijn. Wat de burgemeester deed, was simpel: niet op de onwettige eisen ingaan, de orde handhaven, en gewoon wachten. Tijd deed de rest: eerst bleek NRC geblunderd te hebben door zijn adres vrij te geven. Toen bleek een heel deel van de betogers van buiten de stad te komen (wat hadden zij daar dan te zoeken?). Vervolgens deed een knullig Pauw en Witteman-optreden van de politieke voorstanders van de pedojacht de rest. De zaak liep met een sisser af. De burgemeester, en daarmee het recht, hadden gewonnen.

Met zijn principiële houding oogstte hij lof, van vriend en vijand. Trouw noemde hem de man dierechtsstaat smoel gaf, maar ook gewone Leidenaren stuurden hem bloemen. Toen ik rond die tijd op campagne was, zei iemand uit wat intern eufemistisch de ‘traditionele achterban‘ genoemd wordt tegen mij: “ik zal nóóit op jullie stemmen, maar dat is nìet vanwege Lenferink.”

In zekere zin had Lenferink het makkelijk, omdat hij als burgemeester geen verkiezingen hoeft te winnen. Wat we nu moeten hebben, zijn gekozen politici die hetzelfde lef hebben. Ik wil best wel weer met z’n allen bij een partijbijeenkomst gaan zitten huilebalken dat we geen smoel hebben, maar als er geen enkel moreel leiderschap komt over zo’n elementaire kwestie – dat je elkaar niet met bedreigingen de mond snoert – dan snap ik eigenlijk niet waarom ik die moeite nog neem.

De antiracistische stem snakt naar een voorvechter in het parlement. De politicus, die nu voor zijn principes opkomt, die kan net zulke alleenheerschappij binnenharken als Merkel nu in Duitsland heeft. Het is niet zo moeilijk: trek je bek open, zeg waar je voor staat, en hou je poot stijf. Maar vooral: leg die angst af voor een man die al 13 jaar niet meer onder ons is.

Dit stuk verscheen eerder op De Publieke Tribune