Nederlanders en hun betrokkenheid bij Ontwikkelingssamenwerking, een hellend vlak?

Vanuit het basisidee dat in de zogenoemde Derde Wereld een achterstand bestond ten opzichte van het ontwikkelde Westen  is de ontwikkelingssamenwerking ontstaan rond de jaren '60. De achterstand moest worden ingelopen door, in het ontwikkelde Westen, inspanningen te verrichten om in samenwerking de onderontwikkelde landen ook op rails te trekken richting modernisering.Vaak door voormalige kolonisatoren, met een schuldgevoel ten opzichte van de voormalige kolonie. Het spoorboekje werd geleverd door het eigen ontwikkelingstraject van het Westen (inclusief Japan).

Nederland was in dit geval geen uitzondering, overdracht van geld, kennis en technologisch vernuft zou ertoe leiden dat de inwoners van ontwikkelingslanden net zo zouden kunnen gaan leven als de Nederlander. Programma's om dit te bewerkstelligen zijn in vele vormen opgezet en uitgevoerd. Vanuit de kerkelijke of ideologische zuil, vanuit de overheid, vanuit particulier initiatief en filantropen, vanuit multilaterale instituten en Non Gouvernementele Organisaties zijn er talloze programma's tot uitvoering gebracht. Vaak heeft dit tot succesvolle resultaten geleid. Zo succesvol dat, in combinatie met het aansluiten van deze ontwikkelingslanden op de wereldmarkt, er in de meeste van deze landen middenklassen zijn ontstaan.

Het oude paradigma lijkt te hebben afgedaan. Ten dele dankzij het succes van de aanpak en ten dele dankzij een veranderende wereld. Die veranderde wereld is niet eenduidig, maar heeft wel een aantal kenmerken: ongeveer 75% procent van alle mensen die onder de armoedegrens leven heeft tegenwoordig haar woonplaats in een middel-inkomensland (India, Indonesië, Peru, Brazilië, Zuid-Afrika etc.). De veronderstelling dat al deze ontwikkelingslanden hetzelfde proces van modernisering moeten ondergaan als de postindustriële landen is op zijn lichtst dubieus te noemen. Voormalige ontwikkelingslanden zijn inmiddels zelf actieve spelers op de wereldmarkt, maar ook in de wereldpolitiek geworden. Met een eigen agenda die niet altijd overeenkomt met de verwachtingen van het Westen. Problemen met armoede in inkomen, menswaardigheid en educatie zijn tegenwoordig steeds vaker beperkt tot een bepaalde groep mensen die door haar geografische locatie of etniciteit belemmerd wordt in haar aansluiting op de ontwikkelingstrein.

Sinds de jaren '80 is er het idee ontstaan dat aansluiting op de wereldmarkt en vervolgens handel drijven dé manier is om iedereen te betrekken in de vaart der volkeren. Dit idee heeft zeker zijn waarde, maar de uitvoering laat vaak te wensen over. Vaak resulteert dit in lange handels- en productieketens waarin diegenen aan het eind van de keten zich gevangen weten in een situatie van armoede waar zich geen ontsnappingsmogelijkheden voordoen. Voorbeelden hiervan zijn talrijk, zoals de kledingindustrie in Bangladesh of de katoenproductie India. Beiden hebben desastreuze gevolgen voor de fabrieksarbeiders in Bangladesh (Rana Plaza als pijnlijk voorbeeld) en katoenboeren in India (zoals bijvoorbeeld weergegeven in de documentaire Bitter Seeds). De kapitalistische wereldmarkt biedt kansen, maar in haar huidige vorm niet voor iedereen.

Verder zijn er nog de steeds dreigender wordende inzichten vanuit de wetenschap dat de huidige wijze van modernisering en industrialisering onhoudbaar is op de lange termijn. De opwarming van de aarde en overige milieuschade hebben dermate grote gevolgen dat niet alle landen zich op een vergelijkbare wijze kunnen ontwikkelen. De mondiale koek is simpelweg niet groot genoeg om te delen binnen het oude paradigma.

Dat oude paradigma waarin wij in Nederland onze internationale solidariteit getracht hebben vorm te geven lijkt ook te schuren en kraken in de kracht om de Nederlanders te mobiliseren. In Nederland heeft de collectiviteit die tijdens de verzuiling nog enigszins overzichtelijk was plaats gemaakt voor een meer individualistische maatschappij. Om hierin grote inzamelingsacties te organiseren ligt er een grote nadruk op het vermarkten van zieligheid en/of urgentie. Grootschalige 'Giro-555-campagnes' zijn vaak succesvol omdat ze zich richten op desastreuze gebeurtenissen die zich relatief gemakkelijk laten vertalen in campagnemateriaal en het sentiment van de individuele donateur die een bijdrage wil leveren aan een betere wereld. Een goed voorbeeld van deze acties is na de tsunami die in de Indische Oceaan ontstond en in 2004 vele Zuidoost Aziatische kustgebieden enorme verwoestingen aanrichtte en vooral de armere bevolking trof die zich niet geen stenen huis kon veroorloven. Ook de aardbeving in Haïti had een dergelijke donateursactie tot gevolg, en meest recent de bestrijding van Ebola.

Hoewel deze acties absoluut lovenswaardig zijn, is het een schoolvoorbeeld van symboolbestrijding. Noodhulp is altijd te laat en altijd gericht op het onzichtbaar maken van het menselijk leed, niet op het aanpakken van onderliggende problemen en oorzaken. Eveneens kenmerkend voor dit soort acties is de verslappende aandacht op het moment dat de beelden van huilende mensen weer van het beeldscherm thuis zijn verdwenen.

Toch werkt deze noodhulp uitstekend op een ander vlak: de betrokkenheid en solidariteit van de Nederlander bij zijn naaste in het buitenland. Rampen en de hulpacties die daarna worden opgezet herinneren ons er met pijnlijke regelmaat aan dat wij niet alleen zijn in ons welvarende landje, maar dat er nog veel werk te doen is. En zelfs de individualistische Nederlandse maatschappij blijft traditiegetrouw vrijgevig waar het aankomt op inzamelingsacties.

De vraag die zichzelf nu naar boven worstelt is hoe we onze internationale solidariteit handen en voeten kunnen geven zodat er structureel vooruitgang kan worden geboekt. Vooralsnog lijken er twee wegen te zijn die gelijktijdig bewandeld kunnen worden. De eerste is de vergroening van ons eigen leven en economie, inclusief de werkwijze van bedrijven die hun activiteiten in de ontwikkelingslanden ontplooien. De tweede weg is het blijvend zoeken naar een verbinding tussen de hoogontwikkelde landen en de landen in ontwikkeling waar de armoedeproblematiek zich voordoet. Hier moet plaats zijn voor democratisering, zodat die groepen die nu niet vertegenwoordigt worden in de besluitvorming ook aan tafel kunnen zitten. Die tweede weg is duidelijk ingeslagen door internationale NGO's en lobby-organisaties. Hoe die solidariteit van de Nederlander vertaald kan worden naar concrete actie blijft helaas nog in het midden.