Oikofobie: vloek of zegen?

‘Oikofobie is het tegenovergestelde van xenofobie. Niet de angst voor het vreemde, maar voor het eigene. Een afkeer van geborgenheid; het willen stukmaken van het huis. Oikofobie is wat westerse elites drijft.’ Dit staat te lezen op de achterflap van Thierry Baudets nieuwste boek, Oikofobie: De angst voor het eigene (2013). Een stelling met grote pretenties, omdat zij ingaat tegen deze ‘elites’ en een heel ander frame voorstelt dan gangbaar is. Prikkelend ook voor (hobby-)psychologen die van symmetrie houden, zoals ondergetekende. Is er sprake van symmetrie tussen oikofobie en xenofobie, zoals gesuggereerd wordt op de achterkant van Baudets boek? Is oikofobie een fobie die, net als xenofobie, in de roemruchte psychologiebijbel DSM-IV had kunnen staan? Dat had een interessante gedachte-oefening kunnen zijn, maar is niet het beoogde doel van Oikofobie. Baudets trouvaille, ontleend aan de Britse filosoof Roger Scruton, dient meer als titel voor een politiek pamflet gericht tegen een aantal contemporaine politieke en maatschappelijke ontwikkelingen. ‘Oikofobie’ is een kapstok waaraan Baudet zijn wijd uitwaaierende kritiek ophangt. In deze recensie zal ik de inhoud van het boek kort bespreken, mijn interpretatie geven aan het ‘oikofobie-frame’ van Baudet en de waarde ervan evalueren voor het hedendaagse politieke debat.

Wat betreft onderwerpen kan Baudet een brede maatschappelijke visie niet ontzegd worden. Allereerst legt hij het Europese project over de knie: niet nationalisme, maar imperialisme is de oorzaak van oorlogen en onderdrukking en de Europese Unie is een multinationaal imperium met José Manuel Barroso als keizer. Vervolgens neemt Baudet het op voor Wilders met zijn streven om Nederland te vrijwaren van de Islam. Daarna fileert Baudet en passant het partijenstelsel in Nederland en de internationale bemoeienis met universele rechten. Tot slot neemt hij moderne kunst, en in meer abstracte zin ‘ontworteling’ op de korrel.

Door zijn brede maatschappelijke agenda is het moeilijk Baudet op alle fronten gelijk te geven, maar het boek leest als een trein door de lichte schrijfstijl en de vele goedgekozen anekdotes. Baudet streeft niet naar een evenwichtige beschouwing, maar geeft een reflectie op de maatschappij vanuit een tegendraads perspectief, dat wil zeggen, hij wijkt af van wat als politiek correct wordt beschouwd en schept een alternatief politiek frame. Is het immers toevallig dat er voorheen wel een woord bestond voor vreemdelingenhaat, maar niet voor afkeer van het eigene? Heeft dit ermee te maken, wat Scruton suggereert, dat onze politieke elites structureel, en wellicht gefaciliteerd op de universiteit, in de puberteit zijn blijven hangen? (Baudet geeft geen verdere verklaring voor het ontstaan van oikofobie). Of heeft dit wellicht te maken met een diepgeworteld ‘metacultureel frame’? De Amerikaanse bestuurskundigen Donald Schön en Martin Rein onderscheiden in hun werk Frame Reflection. Toward the Resolution of Intractable Policy Controversies (1994) verschillende niveau’s van frames, waarbij het metaculturele frame de meest hardnekkige soort is: ‘Metacultural frames, organized around generative metaphors, are the root of the policy stories that shape both rhetorical and action frames.’

Wat mij opvalt is dat sommige recensies van Baudets boek op internet helaas defensieve  Pavlov-reacties laten zien. In Trouw had de recensie van Oikofobie de titel “De linkse elite heeft het land weer verkwanseld.” Ernst van den Hemel en Wilfred van de Poll, generatiegenoten van Baudet en van ondergetekende, vragen zich af in welk land Baudet de afgelopen dertig jaar heeft gewoond. Nederland is toch immers alleen maar xenofober geworden in de afgelopen jaren? Een reactie die ik enerzijds kan begrijpen, maar die anderzijds de plank volledig misslaat. Kosmopolitisme, niet xenofobie, is in Nederland nog altijd de norm in de politiek. Het feit dat Fortuyn en Wilders tegen het dominante frame in na heftige reacties van verontwaardiging en afkeuring een voet tussen de deur hebben gekregen in de gevestigde politiek, bevestigt dit beeld. Wie denkt dat de Wet van Godwin (‘als een online-discussie maar lang genoeg duurt, trekt een van de deelnemers geheid een keer een vergelijking met de nazi’s of Hitler’) een natuurwet is gaat logischerwijs voorbij aan de tijdgebondenheid ervan. Ik zou de Wet van Godwin eerder willen zien als het topje van de ijsberg van een anti-nationalistisch metacultureel frame dat na de Tweede Wereldoorlog is ontstaan.

De retoriek die vanuit de Europese Unie komt (“het alternatief voor meer Europese integratie is oorlog”) sluit eveneens aan bij het anti-nationalistische (een niet-bestaand bijvoeglijk naamwoord volgens mijn spellingscorrectie, toeval?) frame. Dat is niet heel vreemd, gezien de historische achtergrond van de oprichting van de Europese Unie, als we deze ten minste terugvoeren naar de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), een unie tussen voornamelijk Frankrijk en Duitsland om een herhaling van de Tweede Wereldoorlog te voorkomen. Zo zijn er dus goede argumenten te bedenken voor de stelling dat de Europese Unie gezien kan worden als de institutionalisering van het anti-nationalistische frame in Europa na de Tweede Wereldoorlog. Van den Hemel en Van de Poll doen er beter aan hun blikveld met een halve eeuw te verruimen wanneer ze zich afvragen in welk land zij politiek gezien leven.

In Baudets terminologie is de Europese Unie een onderwerp van oikofobie en zou de natiestaat een logisch uitvloeisel zijn van oikofilie. Hoewel hier historisch gezien het nodige op aan te merken valt (bij natiestaat-vorming gingen er eveneens ‘warme’ lokale identiteiten verloren of deze werden onderdrukt), wijst Baudet wat mij betreft terecht op een trend die na de Tweede Wereldoorlog ingezet werd: men vertrouwde de Europese nationale staten geen volledige soevereiniteit meer toe omdat dit tot oorlog zou leiden: dit had de geschiedenis immers aangetoond. Curieus is echter dat de ‘eurofielen’ die dit proclameren tegelijkertijd vaak federalisten zijn die een bepaald Europees nationalisme nastreven, inclusief grondwet, vlag, volkslied en president. Een Europese munt met afbeeldingen van bruggen uit heel Europa moet ertoe leiden dat Europeanen zichzelf meer als één volk gaan beschouwen. De natiestaat wordt dus als voorbeeld genomen voor een nieuw te vormen Europese natiestaat. De bezwaren tegen de natiestaat zijn dus niet principieel. Men wil alleen een bredere scope om in ieder geval binnen Europa onderlinge oorlogen te vermijden. Voor een oorlog tegen Rusland of welk ander land dan ook zal het niet uitmaken of er nu Duits of Europees nationalisme bestaat dat als legitimatie kan fungeren voor kwaadwillende politici. De problematische kanten van het nationalisme worden in feite alleen een niveau hoger getild. Intussen worden de voordelen van nationalisme als smeerolie voor de democratie alleen maar kleiner: er is immers geen Europese natie en taal om Europese democratie tot iets te maken dat daadwerkelijk ‘leeft’.

Is nationalisme of oikofilie zoals Baudet dat voorstaat, in feite beide een vorm van etnocentrisme, per se gevaarlijk? Het binnen- en buitensluiten van mensen is altijd tegen een maatschappelijke en humanitaire prijs. Zowel onze sociale rechten binnen de verzorgingsstaat als vreemdelingendetentiecentra zijn een uitvloeisel van nationale arrangementen die sommige zwakkeren beschermen en andere zwakkeren de kans ontnemen. Principieel maakt het daarbij niet uit of dit beleid op het niveau van Nederland of Europa gebeurt. Discriminatie als in ‘onderscheid maken tussen mensen’ is nodig om de maatschappij te kunnen laten functioneren, ook al is reflectie daarop en relativering ervan eveneens noodzakelijk.

Kiezen tussen nationale en internationale sociale rechten is een thema dat ook sociaal-democraten al vanaf vroeg in de traditie verdeeld houdt. Het streven naar sociale gelijkheid is het meest waarachtig, wanneer het alle mensen op de planeet omvat. Tegelijkertijd zijn in de afgelopen honderd jaar de meeste sociale rechten op nationaal niveau afgedwongen. De democratische rechten zijn eveneens in de afgelopen tweehonderd jaar op nationaal niveau afgedwongen. Het feit dat nationale arrangementen door de Europese Unie onder druk staan, maakt dat er zowel onder socialisten (bijvoorbeeld Marijnissen) als onder liberalen (bijvoorbeeld Bolkestein) verdedigers zitten van de natiestaat. Zij roeien daarbij op dit moment met onder anderen Baudet en Wilders tegen de stroom in van het heersende frame dat zijn institutionele macht ontleent aan de Europese Unie. Zij sluiten daarbij aan bij een sentiment onder de bevolking dat vaak is weggezet als ‘de onderbuik’. Het getuigt echter van weinig historisch besef om ‘nationalisme vanuit de onderbuik’ als iets tijdloos te zien: blijkbaar is nationalisme naar de onderbuik verbannen. Terwijl de opkomst van de natiestaat verweven was met de rationele strijd voor democratie en sociale rechten, wordt de verdediging van de natiestaat gezien als iets emotioneels en nostalgisch. Gelukkig nemen gevestigde partijen de laatste tijd de bezorgdheid van veel burgers over het Europese project serieus.

Het achterblijven van Europese nationale gevoelens, tweetaligheid en het democratische gat in Europa zorgt ervoor dat er moet worden herbezonnen op het Europese project. Oikofobie is in ieder geval voor dat doel een aanrader.