Salonpopulisme? Aandachtseconomie!

Pieter van Os schreef een boek over de Haagse politiek en haar journalistieke volgers. De aandacht ging uit naar zijn opiniestuk over ‘salonpopulisme’ in NRC Handelsblad (‘Het vernietigende werk van de salonpopulist’). Want wat was er aan de hand? Beschuldigt Van Os in zijn boek Bas Heijne, Marc Chavannes en Paul Scheffer van een vorm van populisme en zijn deze columnisten op hun manier dus niet anders dan Wilders: ja, bedreigen ze met hun geschrijf de democratie?

Een rel is gauw gecreëerd. Bas Heijne beloofde erop terug te komen. Marc Chavannes was pissig over deze beschuldiging en diende Van Os met een tegenstuk van repliek. De buitenstaander die dit gemist heeft denkt: waar gaat dit allemaal over?

In zijn boek (Wij begrijpen elkaar uitstekend. De permanente wurggreep van pers en politiek) en in zijn opiniestuk wees Van Os op de opkomst van een chique variant op het populisme van Wilders, de SP en Partij voor de Dieren: het salonpopulisme. Bij beide fenomenen is sprake van een afkeer van de Haagse politiek. Het verschil met de reguliere vorm van populisme is dat dit salonpopulisme niet in naam van het gewone volk afgeeft op een elite, maar juist vanuit een elitaire positie neerkijkt op de irrelevantie en middelmatigheid van het politieke gewoel in Den Haag.

 Wie preciezer kijkt, ziet dat verschillende zaken met salonpopulisme in verband gebracht worden.

(1)   Sommige mensen verwerpen de manier waarop de meer populistische politici politiek bedrijven: spoeddebatten aanvragen, moties indienen die kansloos zijn – telkens niet om daadwerkelijk iets te bereiken, maar om te laten zien waar ze voor staan. Die doen dus niet aan instrumentele, maar aan expressieve of getuigenispolitiek.

(2)   Er is ook kritiek op politici die juist te veel met beleid bezig zijn, op politici die miskennen dat politiek óók theater is; niet alleen inhoud, maar ook spel.

(3)   Ook wordt er vaak afgegeven op politiek als modderig beroep, op verwaterde compromissen, op opportunistisch geven en nemen, op je principes verloochenen, op ‘partijpolitiek’.

(4)   Mensen ergeren zich als het in Den Haag gaat over het verbieden van ronde vissenkommen, een lampionnenoptocht of ander ‘gerommel in de marge’ – allemaal maar ‘klein bier’. Het zou moeten gaan over de grote vragen en er zouden grote, liefst inspirerende verhalen moeten zijn.

Het salonpopulisme is dus niet eenduidig. Je bent namelijk salonpopulist als je vindt dat politici te veel theater maken (1), maar ook als je vindt dat politici te weinig goede acteerprestaties leveren (2). Je bent salonpopulist als ze naar jouw mening te veel aan ‘symboolpolitiek’ doen (1), maar ook als ze zich te veel met details bezig houden (4). De salonpopulist kijkt neer op het schimmige spel van serieuze onderhandelingen om tot meerderheden te komen (3), maar ook op de politici die louter roeptoeteren (1).

Pieter van Os ziet het salonpopulisme bij gewone burgers (vaak hoger opgeleiden), bij intellectuelen die in de krant of op tv commentaar geven, bij journalisten, en bij politici zelf (Alexander Pechtold). Als deze mensen zich ergeren aan de Haagse politiek, als ze kritisch zijn, als ze meer verwachten – hebben ze dan een anti-politieke houding? Zijn ze dan zelfs anti-democratisch?

Ik maak mij er met deze retorische vragen van af en vraag uw aandacht voor het volgende: het boek van Van Os is weliswaar serieus besproken in de kranten en op de radio, maar de aandacht werd getrokken door het opiniestuk in NRC. Een lekkere beschuldiging aan het adres van niet de minste namen – dat doet het goed. Bij u, bij mij, bij de volgers van nieuws en politiek.

En daarmee komen we op wat werkelijk een groot probleem is: de journalistiek heeft last van de noodzaak tot aandacht trekken. De verschillende media hebben te maken met elkaars concurrentie, én moeten de afnemers van hun producten overhalen hun tijd aan (politiek) nieuws te besteden in plaats van aan andere zaken. Van Os schrijft hier in meerdere hoofdstukken over. Journalisten proberen goede verhalen te brengen, niet te lang, en met veel drama en conflict. Ze verzinnen emotioneel geladen koppen en vergroten meningsverschillen uit.

Dit probleem is al zo oud als de journalistiek zelf. De signalering ervan ook. In 1911 kon je ook al de oproep aan journalisten horen om niet in te spelen op ‘lagere instincten’, zoals Van Os terecht opmerkt. Daarom is het ook onzinnig om hierover te klagen, of te beweren dat het ‘steeds erger’ wordt. We schieten al helemaal niets op met een journalistiek die weer zo volgzaam wordt als voor de jaren zestig. Wat dan wel? Het helpt dat een journalist af en toe een boek schrijft, dat de serieuze journalistiek af en toe vernieuwd of uitgebreid wordt (zie bijvoorbeeld De Correspondent), en dat wij lezers, luisteraars en kijkers ons van onze nieuwsconsumptie bewust worden. Zodat we eraan denken om na die smakelijke rel óók dat serieuze stuk tot ons te nemen. De journalist zou ons daarin een handje kunnen helpen, door zich af en toe expliciet tot de lezer te richten en de lezer uit te leggen waarvoor en waarom hij aandacht vraagt. (Iemand die dit goed doet: Joris Luyendijk.)

Radicaal of dramatisch klinkt dit niet. Spannend? Nou nee. Maar wie iets beters weet – ik hoor het graag. Wie het tot hier heeft volgehouden: dank voor uw aandacht.