Subsidiekaartjes

 

bron afbeelding: commons.wikimedia.org

Tijdens de begrotingsbespreking van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap opperde Tweede Kamerlid Zohair El Yassini (VVD) afgelopen jaar om subsidiebedragen af te drukken op toegangskaartjes van culturele instellingen (lees: musea). Volgens El Yassini toont het afdrukken van subsidiebedragen “hoe kostbaar cultuur is”. Vrij naar Oscar Wilde: dan kent de museumbezoeker van alles de prijs en – blijkbaar- de waarde. “Op het moment dat wij bezig zijn met het creëren van draagvlak in de samenleving, laten wij ook heel duidelijk zien wat het kost en dat we bereid zijn te investeren”, aldus El Yassini.

Nou lijkt het me dat er effectievere manieren zijn om het draagvlak voor subsidies te vergroten. Je zou bijvoorbeeld naast de kosten ook de baten van musea kunnen afdrukken. GroenLinks-Kamerlid Corine Ellemeet verwees tijdens dezelfde bespreking naar een onderzoek van het Centraal Bureau voor de Statistiek, dat aantoont dat de culturele sector 3,7% bijdraagt aan het Bruto Binnenlands Product. Nuttige informatie om culturele instellingen op waarde te kunnen schatten.

De ingediende motie werd uiteindelijk verworpen (VVD, PVV, FvD en Van Haga voor, de rest tegen). Terecht. Tweede Kamerlid Salima Belhaj (D66) legde de vinger op de zere plek toen zij zich afvroeg waarom een dergelijke verplichting alleen voor de culturele sector zou moeten gelden. Er zijn namelijk zoveel zaken die door het Rijk worden bekostigd. Geef dan ook elk Tweede Kamerlid een sticker met de tekst “Ik kost de belastingbetaler ongeveer 250.000 euro per jaar”, zoals Peter Kwint (SP) voorstelde.

Deze proefballon van de VVD ligt alweer een paar maanden doorgeprikt in de grijze container. Toch vind ik het een interessant idee. Stel je namelijk voor: je bezoekt het Rijksmuseum in Amsterdam. Je koopt voor 19 euro een kaartje en ziet vervolgens staan dat het museum in 2018 16,5 miljoen euro subsidie ontving. Zou je dan niet denken: waarom niet nog ietsjes meer, zodat ik gratis naar binnen mag? Daarvoor zijn trouwens geen enorme bedragen nodig. De inkomsten uit entreebewijzen bedroegen in 2018 26.222.000 miljoen euro. Die geldstroom kan gedeeltelijk worden vervangen door vrijwillige donaties. Op dit moment zijn giften uit eigen beweging ongebruikelijk. Je betaalt immers voor je kaartje. Het kan echter wel: zo is de British Museum, dat gratis toegankelijk is, er volledig op ingericht. De misgelopen inkomsten uit entreebewijzen die niet kunnen worden gecompenseerd met donaties, zouden moeten worden gecompenseerd door de overheid.

Op die manier zou iedereen die bijdraagt aan het bestaan van het Rijksmuseum daar ook de vruchten van plukken. Op dit moment is dat namelijk niet het geval. De 16,5 miljoen euro subsidie betalen we samen, maar niet iedereen kan de kosten van een toegangskaartje opbrengen. Sommige mensen dragen dus wel bij, maar zien daar niets voor terug.

Je zou kunnen beargumenteren dat als je het Rijksmuseum gratis maakt, eigenlijk alle musea die subsidie ontvangen gratis zouden moeten worden. Dat lijkt wat drastisch. Het is in mijn ogen niet vreemd dat je als belastingbetaler bijdraagt aan zaken waarvan je niet direct profiteert. Er is ook een hoop voor te zeggen dat juist wie graag musea bezoekt, een financiële bijdrage levert aan hun bestaan. Het gaat om de juiste balans tussen inkomsten uit subsidie enerzijds en entreebewijzen anderzijds.

Toch is het wrang dat, hoewel iedereen bijdraagt aan de instandhouding, musea desondanks door de entreeprijs niet voor iedereen toegankelijk zijn. Onderschat de kosten van een kaartje niet: het gaat namelijk om forse bedragen. De toegangsprijs van de vijf best bezochte Nederlandse musea (Rijksmuseum, Van Gogh Museum, Anne Frank Huis, NEMO en Stedelijk Museum) was in 2019 voor een volwassene gemiddeld 16,60 euro. Dat is ook in internationaal opzicht hoog. In België was de toegangsprijs van de vijf best bezochte musea (Koninklijke musea voor schone kunsten, Middelheimmuseum, Museum aan de Stroom, Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen en In Flanders Fields Museum) voor een volwassene gemiddeld 8,40 euro. In Groot-Brittannië waren de vijf best bezochte musea (Tate Modern, British Museum, National Gallery, Natural History Museum en Victoria & Albert Museum) zelfs gratis.

Tijdens de bespreking van de cultuurbegroting deed Lodewijk Asscher (PvdA) ook een voorstel, namelijk om Rijksmusea één zondag in de maand gratis open te stellen. Deze motie werd wél aangenomen. De openstelling is een stap in de goede richting om musea voor iedereen toegankelijker te maken. Er zijn echter nog meer mogelijkheden. Zo zou iedereen op zijn of haar 18e verjaardag een kaartje voor een museum naar keuze cadeau kunnen krijgen. Musea zijn vaak gratis onder de 18, maar voor volwassenen juist duur. Een dergelijk tegoed verzacht de overgang. Ook zou het aantal gratis openstellingen kunnen worden uitgebreid: waarom niet ook tijdens de Nationale Museumweek (in 2020 van 20 tot 26 april) en open monumentendagen (het tweede weekend van september)? Met deze en vergelijkbare maatregelen kan iedereen blijven genieten van de musea die Nederland rijk is.