Verslag Symposium, Groeien of Snoeien: tussen Ecomodernisme en Ecoconservatisme

 

Op 2 november organiseerden Hellingproef, Jong WBS en Route ’66 een symposium waarin de vraag centraal stond hoe de komende ecologische uitdagingen aangepakt moeten worden; een kwestie van vertrouwen op innovatie en groei, of radicaal consuminderen en onze levenswijze aanpassen? Groeien of snoeien?

Ecomodernisten VS Jaap

De ecomodernisten trapten de dag meteen met gestrekt been af en hielden onder andere een vurig betoog voor kernenergie en intensieve landbouw. Joost van Kasteren en Ralph Bodelier bedolven het publiek met een hele hoop cijfers en grafieken en lieten vernuftige innovaties op het gebied van genetische modificatie, kweekvlees en landbouwrobots passeren.

Journalist Jaap Tielbeke, die op deze dag de traditionele milieubeweging moest vertegenwoordigen, bracht een genuanceerd tegenwoord op het verhaal van de ecomodernisten: ‘Ecomodernisme is een optimistisch verhaal. We kunnen onze levensstijl voortzetten als we vertrouwen op technologie. Dat is een aantrekkelijk idee. Ik zou willen dat ik erin kon geloven.’ Hij benadrukte krachtig de ernst van klimaatverandering en beargumenteerde dat de ecomodernisten zich in zekere zin baseren op andere filosofische principes: ‘Is de mens heer en meester over de natuur, in lijn met Descartes? Of zien we natuur als een “web des levens”, zoals Von Humboldt? Ecomodernisten zijn Cartesianen. Ik zie meer in de zienswijze van Von Humboldt.’

Politici aan het woord

Na de presentaties was het woord aan Suzanne Kröger (Tweede Kamerlid GroenLinks), William Moorlag (Tweede Kamerlid PvdA) en Michiel Scheffer (Lid van de Provinciale Staten in Gelderland namens D66). Scheffer verklaarde een ex-ecomodernist te zijn: ‘Ik ben heel lang ecomodernist geweest, maar inmiddels al drie jaar niet meer. We hebben het niet waargemaakt.’ Suzanne Kröger benadrukte het belang om de grenzen van de aarde als vertrekpunt te nemen en hierbij het voorzorgsprincipe in de gaten te houden. William Moorlag stelde dat klimaatverandering niet enkel een technisch vraagstuk, maar vooral ook een sociaal-cultureel vraagstuk is: ‘Hoe kon de transitie naar aardgas in de jaren ‘70 zo snel gaan? Dat werd gebracht als grote vooruitgang, waardoor ik daar als kind in Groningen trots bij voelde.’

Vanuit het publiek werd wederom kernenergie als energiebron geopperd. Alle drie de politici zagen kernenergie echter niet als een goede optie. ‘Zeker in een dichtbevolkt land als Nederland, moet je de mogelijke risico’s niet willen riskeren.’ Ook werd benadrukt dat kernenergie nog steeds niet winstgevend is en dat het rendement van hernieuwbare energiebronnen op dit moment kernenergie aan het voorbijgaan is. Scheffer was hierbij kritisch op het boek van de ecomodernisten: ‘Ik heb zonnepanelen gelegd. Toen las ik jullie boek en voelde ik me gekke Henkie, terwijl het echt een goede investering is!’

Moorlag noemde de gouden combinatie voor het oplossen van de beleidsproblemen: ‘Je hebt drie dingen nodig: koffie, geld en regels. Mensen bij elkaar brengen, financiële prikkels aanbrengen en simpelweg reguleren.’ Kröger benadrukte dat het aanzetten van de juiste prikkels in het systeem nog niet genoeg heeft plaatsgevonden. ‘Bij de luchtvaart draait de fossiele industrie bijvoorbeeld nog volledig aan de knoppen. De overheid moet andere vormen van innovatie aanjagen.’


Workshop economie: Our New Economy

Maarten Nijman en Sam de Munck gaven namens Our New Economy een workshop over alternatieven voor het traditionele BBP en het op groei gerichte economische model. Zij stelden dat tijdens het symposium eigenlijk de verkeerde vraag centraal stond. De keuze zou niet moeten gaan tussen snoeien of groeien in de economie (Sustainable growth of Degrowth), maar er zou op een andere manier gekeken moeten worden naar wat we wel en wat we niet mee willen wegen in onze economische modellen.

Door een aantal gedachtenexperimenten probeerden ze de deelnemers van de workshop hier op een andere manier naar te laten kijken. Als je op een onbewoond eiland bent gestrand met een dertigtal andere mensen: hoe richt je dan deze samenleving in? Wat is dan van waarde en hoe verdeel je dit? Vervolgens werden de ideeën van belangrijke niet-hedendaagse economen en filosofen op het denkbeeldige eiland toegepast. Hoe zou de economie van dit eiland georganiseerd zijn als Aristoteles er was gestrand? Of Adam Smith, Karl Marx, Keynes of een neoklassieke econoom?

Ook werden enkele economen besproken die buiten de kaders van het traditionele economische model dachten, zoals de donut-economie van Kate Raworth en Mazzucato.

Workshop landbouw en voedsel: Jozef Keulartz

In de workshop landbouw en voedsel stond de spanning tussen natuur en landbouw centraal. Ecoconservatisten en ecomodernisten dragen verschillende oplossingen aan om het verdwijnen van natuur en de teruggang in soortenrijkdom tegen te gaan. Ecoconservatisten pleiten voor natuurinclusieve vormen van landbouw; zij willen natuur en landbouw met elkaar verweven. De ecomodernisten willen natuur en landbouw juist van elkaar scheiden; zij pleiten voor een verdere intensivering van de landbouw, en dus voor een hogere opbrengst per hectare om ruimte voor natuur te ‘sparen’.

Deze concurrerende ideeën zijn allerminst nieuw, stelde natuurfilosoof Jozef Keulartz tijdens zijn presentatie. Ze waren al aanwezig in het denken van Norman Borlaug en Rachel Carson net na de Tweede Wereldoorlog. Na een aantal argumenten van de ecomodernisten – natuurinclusieve landbouw zou een te lage opbrengst geven, de prijs van voedsel opdrijven en te veel ruimte in beslag nemen – te hebben weerlegd dan wel genuanceerd, concludeerde hij dat de tijd rijp is voor een toenadering tussen beide landbouwvisies.

In het tweede gedeelte van de workshop waren de deelnemers aan de beurt. Aan de hand van vier vragen dachten zij na over de toekomst van landbouw en natuur in Nederland. Daarbij bleek het belangrijk om het eens te worden over fundamentele vragen zoals: wat verstaan we onder “echte natuur”? Waarom zijn natuur en een grote soortenrijkdom waardevol? En als natuur iets is waar je een hek omheen zet, is daar in Nederland dan wel plaats voor? Alle mensen in (mega)steden laten wonen leek de meesten geen goed idee: men moet de natuur kennen om haar te kunnen en willen beschermen. Een ander inzicht, en mogelijk aanvangspunt voor een formulering van een vruchtbare vorm van co-existentie tussen de landbouwvisies, was dat ‘het oerbos’ en grootschalige, intensieve landbouw de uitersten zijn van een spectrum, en dat de ecomodernisten en ecoconservatisten zich te lang hebben gericht op die uitersten, terwijl de vormen ertussen het ook waard zijn om te onderzoeken.

Workshop energie: Gert Jan Kramer

In het licht van de algemene vragen die de leidraad vormden van de discussie gedurende de dag, koos de heer Kramer toch voor de overtuiging dat technologische ontwikkeling veel kan doen voor onze planeet. Als we kijken naar de ontwikkelingsdoelen zoals opgesteld door de Verenigde Naties, ligt de meest reële ambitie volgens Kramer binnen de doelen omtrent energie. De vraag hoe we daar kunnen komen, kan echter op verschillende manieren worden beantwoord. Aan de hand van een drieluik van de illustrator Robert Crumb liet de heer Kramer de drie mogelijkheden zien. De wereld kan ontaarden in een dystopie als we doorgaan met onze huidige energieconsumptie en daarbij niet onze CO2-uitstoot reduceren. De twee meer optimistische uitkomsten worden echter weergegeven als een ecotopia of een technotopia, waarbij bij de eerste manier de mens meer in harmonie leeft met de natuur en daar zijn of haar energiebehoefte op aanpast of zoals bij de tweede er een ontwikkeling plaatsvindt die ons in staat stelt op een duurzame manier te voorzien in een hogere energiebehoefte. De enige manier om dit voor elkaar te krijgen is als het ons pijn gaat doen, pijn in de zin van een voelbare klimaatverandering. Dat kan zijn in de vorm van toenemende kosten voor hogere dijken en meer geld dat betaald moet worden voor CO2-uitstoot of in de meest zichtbare vorm de consequenties van natuurrampen die het directe gevolg zijn van klimaatverandering. Hierbij haalt hij ook het boek 2052 van Jorgen Randers aan, die stelt dat verandering pas op gang komt als het daadwerkelijk een voelbaar politiek probleem is.

Voor de meer specifieke kijk op wat er moet gebeuren is het volgens hem belangrijk om eerst een beeld te hebben van onze huidige energiebehoefte. Op dit moment heeft Nederland een energieverbruik van 3,000,000,000,000,000,000 joule per jaar. Als we daarmee zouden willen overstappen op wat de heer Kramer ziet als de meest logische mix van duurzame energiebronnen,  (50% offshore wind, 10% windenergie op land, 20% zonne-energie en 20% energie uit biomassa), zouden we aan de oppervlakte al de gehele Noordzee moeten volbouwen met windmolens, op land daarnaast nog de provincies Friesland, Groningen en Drenthe helemaal vol moeten zetten met windmolens, de provincie Utrecht helemaal bedekken met zonnepanelen en ongeveer twee Nederlanden nodig hebben om de hoeveelheid biomassa te produceren die nodig is. Op dit moment is deze optie dus niet reëel.

Wat moet er dan wel gebeuren? Het belangrijkste is volgens hem dat er regie genomen wordt, dat de overheid echt een actievere rol gaat spelen in het transitiebeleid en mensen ook in laat zien dat de overstap naar duurzaam een vooruitgang is in plaats van een belemmering. Daarnaast is het met name belangrijk dat de overheid veel geld gaat steken in het aanleggen van infrastructuur en nieuwe energiebronnen en het de huidige capaciteit van het net aanzienlijk vergoot. Op deze manier kan, als de transitie gemaakt is, de stroom vrij gemakkelijk over het hele net verspreid worden en zijn er mogelijkheden tot het opslaan van energie, denk hierbij aan groene waterstof, om in de constante energievraag te kunnen blijven voorzien.

Workshop internationale samenwerking: Extinction Rebellion

Ernst-Jan van Extinction Rebellion hield een workshop over de globale klimaatcrisis en de noodzaak om deze crisis urgentie te geven. Vanuit het motto ‘voorkomen is beter dan genezen’ neemt de organisatie als uitgangspunt dat wanneer een activiteit schade toe dreigt te brengen aan onze gezondheid of aan onze omgeving er voorzorgsmaatregelen genomen moeten worden, zelfs als bepaalde oorzaak-gevolgrelaties nog niet in zijn geheel wetenschappelijk zijn vastgesteld.

De opwarming van de aarde is volgens Extinction Rebellion een existentieel gevaar voor de mensheid waar overheden nog te weinig aan doen. Het idee is dat als 3,5% van de bevolking in opstand komt er een revolutie teweeggebracht kan worden in de samenleving en de politiek. Hiermee wil de organisatie bewerkstelligen dat de politiek het klimaatprobleem ambitieuzer aanpakt en doet wat nodig is om de wereldwijde klimaatcrisis op te lossen. Extinction Rebellion is actief in 60 landen waarbij de betrokkenen vreedzaam protesteren. Het doel is om zo een internationale beweging op gang te krijgen.

Ernst-Jan eindigde zijn presentatie met een kritische noot richting de ecomodernisten. Het ecomodernisme is volgens hem veel te optimistisch en biedt op den duur niet de oplossing voor het klimaatprobleem. Wachten op technologie is geen optie, alsmede een transitie waarbij de economische groei niet wordt geremd. We moeten nu wereldwijd de nodige actie ondernemen willen we de doelstellingen van Parijs halen.

En nu?

Geïnformeerd en geïnspireerd door de workshop werd iedereen door dagvoorzitter Ruben Kroeze de vraag voorgelegd: ‘Hebben we het optimisme van de ecomodernisten nodig of zijn hun ideeën hopeloos naïef?’ De zaal was opmerkelijk verdeeld. ‘Het is belangrijk om hoop te hebben. Als je alleen maar apocalyptisch preekt, gaat niemand iets aan het klimaat doen. Dat verhaal kan wel wat optimistische branding gebruiken’, sprak de een. ‘De ecomodernisten focussen te veel op innovatie, terwijl we sociaal-culturele oplossingen nodig hebben. We moeten gewoon erkennen dat economische groei en duurzaamheid simpelweg niet met elkaar verenigbaar zijn’, zei de ander.

Tegenstanders van het ecomodernistisch denken konden zich vinden in het belang van optimisme, maar benadrukten dat de ecomodernisten vaak simpelweg niet realistisch waren en de problemen bagatelliseerden. Voorstanders stelden dat de ecomodernisten tenminste concrete oplossingen naar voren brachten. Er vormde zich ook een neutrale groep: ‘De ecomodernisten zien mensen te veel als god species, terwijl veel traditionele milieubewegingen hen soms neerzetten als een plaag voor de planeet. Beide extremen zijn niet werkbaar.’

Het is duidelijk geworden dat er rondom het klimaatvraagstuk grote dilemma’s bestaan over hoe deze te benaderen, waarbij naast technische kennis ook fundamentele filosofische vragen op de achtergrond spelen: kunnen we ons ooit echt ‘loskoppelen’ van de natuur? Is de natuur een doel op zich of zal deze door ons bedwongen moeten worden? Wat werkt beter voor mobilisering: optimisme en hoop of realisme en alarmisme? Zetten we de kaarten in op technologie en innovatie of is ons ongebreidelde vertrouwen hierin een deel van het probleem?

Het symposium bracht, door de input van sprekers en de onderlinge discussies, in ieder geval nieuwe ideeën naar voren waarmee we de komende jaren onze tanden kunnen zetten in de gestelde vragen. Wordt vervolgd!