Voor de PvdA Amsterdam heb ieder nadeel z’n voordeel

De PvdA Amsterdam heeft een historische verkiezingsnederlaag geleden bij de gemeenteraadsverkiezingen. De PvdA is sinds mensenheugenis de grootste partij in de Amsterdamse gemeenteraad geweest en bezette steevast de belangrijkste wethoudersposten.

De PvdA mag gerust een machtsbolwerk genoemd worden. Op dit bolwerk is genadeloos ingehakt door D66, in de persoon van de onlangs van de universiteit afgerolde 30-jarige Jan Paternotte. De PvdA heeft vooral van zichzelf verloren. Niet van D66 of een andere partij. D66 stroomt namelijk niet over van de creatieve, revolutionaire of vernieuwende ideeën voor een ander Amsterdam, maar wil de zaken net even wat anders, wat pragmatischer en, zo men wilt, wat realistischer aanpakken. De PvdA ondertussen, worstelt met haar imago als verantwoordelijke partij en daarmee voor alles wat er niet goed gaat in Amsterdam. Daar heeft nieuwkomer Pieter Hilhorst weinig aan kunnen veranderen.

De vraag is of de nederlaag erg is voor de PvdA. Een periode geen zitting in het college en oppositioneel handwerk kan wel eens de redding van de PvdA Amsterdam betekenen. En wel om vier redenen: opfrissing, een andere strijd, herbezinning en opportunisme. De eerste reden waarom een verkiezingsnederlaag voor de PvdA goed kan uitpakken is een opfrissing van mensen en ideeën. Het debat binnen de PvdA over de stadsdelen, die nu halfzachte bestuurscommissies zijn geworden, was typerend voor de staat waarin de partij intellectueel is aanbeland. De oude garde was bezig om met dezelfde argumenten als in de jaren zeventig het stelsel hartgrondig te verdedigen - onvoldoende bewust van de veranderende wereld. De kritiek dat het niveau van de stadsdeelraden laag was en dat er geen kiezer in geïnteresseerd was werd weerlegd met het argument dat het in principe een democratisch orgaan is. Of dat zo is wil ik hier niet weerleggen, maar de voorwaarde is een levendige partijdemocratie en daarvan was geen sprake meer. Hoe goed bedoelt dergelijke ideeën in de jaren zeventig ook waren, het is nu tijd om de rol en betekenis van lokale democratie opnieuw te bekijken.

De tweede reden is die van een andere, zo men wilt, echte strijd. De PvdA Amsterdam is door haar positie als zittende macht altijd veroordeeld tot het verdedigen van de status quo omwille van machtsbehoud. Dat is zowel rationeel, menselijk als begrijpelijk. Het leidt er echter inherent toe dat hier ook alle energie naar uitgaat. De permanente campagne middels canvassen langs de deuren voor zogeheten kiezerscontacten is hiervan het voorbeeld. Het doel lijkt om te achterhalen wat de werkelijke noden van de mensen in de stad zijn, maar daarvoor is het medium ongeschikt. Het dient vooral als middel om mensen via de PvdA in contact te brengen met de politiek door een luisterend oor te bieden en hiermee de hoop dat daarmee een stem kan worden binnengehaald. Slechts vanuit campagneoogpunt en vanuit electorale rationaliteit bezien kan dit als een geschikte methode gezien worden, alhoewel een analyse van de effectiviteit ontbreekt.

De echte strijd – die van het toegang verschaffen tot de macht van hen die daar van verstoken zijn - wordt niet geleverd. Dat is tot nu toe vooral de rol van de oppositie die in Amsterdam ter linkerzijde door de SP vertegenwoordigd wordt. De oppositie is binnen het huidige bestel volkomen tandeloos, maar het scherpt het denken over waar de strijd werkelijk over gaat en daarmee komen we op een derde reden: herbezinning.

In het dagelijkse krakeel van het besturen van de stad is de ambtelijke nota of het bestuurlijk visiestuk de inhoudelijke werkelijkheid. Verstoken zijn van die kennis en daarmee macht over het apparaat wordt als een gemis beschouwd. Ik durf dat te betwijfelen. Het ontbreken van bestuurlijke macht kan er evenzogoed toe leiden dat er een tijd van herbezinning op inhoudelijke gronden aanbreekt. Een tijd waarin de beginselen van de partij en de inhoud van het programma tegen het licht van een veranderende samenleving en stad worden gehouden, alsmede gekeken wordt naar het functioneren van de democratie.

Tot slot moet de PvdA niet vergeten dat de kiezer minder rancuneus is dan menig politicus denkt. De PvdA heeft immers bij de landelijke verkiezingen ook een nieuwe kans gekregen, terwijl dit vanuit historisch perspectief toch enigszins verwonderlijk is. De kiezer kan hiermee weggezet worden als een opportunist, maar het begrip opportunisme wordt hier niet negatief bedoelt. De kiezer kijkt bij elke verkiezing namelijk wie de beste ideeën en mensen aanbiedt en stemt hierop. Dat is nu eenmaal verschillend per verkiezing. Het kan helemaal geen kwaad voor de PvdA om de draconische bezuinigen en de complexiteit van de decentralisaties aan andere partijen over te laten om over vier jaar weer fris en fruitig een goed doordacht en financieel onderbouwd alternatief te bieden. Met een beetje mazzel lukt het de nieuwkomers ook nog om en passant de huurmarkt vlot te trekken.