Vrouwenquotum: geen paardenmiddel, maar de oplossing voor een olifantenprobleem

Lange tijd twijfelde ik of ik een stuk wilde schrijven over de invoering van het vrouwenquotum in de top van het Nederlandse bedrijfsleven. Over dat het een zegen is dat per 1 januari 2016 eindelijk het vrouwenquotum van 30 procent ingevoerd zal worden. Dat PvdA’ers, Jet Bussemaker in het bijzonder, moeten ophouden met het een ‘paardenmiddel’ noemen, of het wegzetten als een ‘noodzakelijk kwaad’. Want wat voor halfbakken boodschap draag je daar eigenlijk mee uit, en wat voor basis geeft dat voor je beleid? Daarentegen, de inhoud was er, dat quotum zou er over twee maanden komen. Waarom zou ik dan nog gaan zeuren over de politieke vorm?

bron afbeelding: www.rijksoverheid.nl

Maar dat gaat dus niet door. Voor de niet-ingewijden een korte geschiedenis: In 2013 werd door het kabinet afgesproken dat in de 4900 grootste bedrijven voor januari 2016 minimaal 30 procent van de zetels in raden van bestuur en raden van commissarissen bekleed worden door vrouwen. Zo niet, dan volgt een quotum met sancties. Uit tussenevaluaties bleek al dat dit ‘wettelijk streefcijfer’ nooit zou worden gehaald. Om een idee te geven: eind 2012 bedroeg het aantal vrouwelijke bestuurders 7,4 procent, eind 2014 was dit 9,6 procent. Je zou kunnen stellen dat dit onomstotelijk aantoont dat bedrijven op eigen initiatief in de nabije toekomst niet eens in de buurt komen van de 30 procent, en dat een vrouwenquotum duidelijk de enige way to go is. Dus wat besloot Jet Bussemaker gisteren? Om bedrijven nog acht (!) jaar extra te geven. Gelukkig met een bikkelharde clausule: als in 2019 de 20 procent nog niet is gehaald, dan volgt in 2020 een quotum. Maar deze keer écht, écht waar. Right.

Vanzelf gaat het niet

We vergeten nog wel eens dat het vrouwenquotum geen paardenmiddel is, maar bovenal de oplossing voor een olifantenprobleem. Zelfs met de dreiging van een door het bedrijfsleven gehekelde quotum zou het, in lijn met bovenstaande groeicijfers, nog tot pakweg 2050 duren voor er gesproken kan worden over een min of meer evenwichtige bestuurssamenstellingen. Voor commissarissen, waaronder iets meer vrouwen zijn, is het percentage van 11,2 procent zelfs al twee jaar stabiel. Diverse bedrijven gingen de afgelopen jaren zelfs van één vrouw naar geen, een negatieve ontwikkeling is voor de toekomst dus zelfs niet uitgesloten. En denk niet dat al die bedrijven verwoede brainstormsessies houden over het aantrekken van vrouwen, netwerkborrels organiseren of anderszins hemel en aarde bewegen om te komen tot vernieuwende headhunting, maar tot hun spijt “simpelweg geen geschikte vrouwen kunnen vinden”. 90 procent van de bedrijven voldeed namelijk niet eens aan de rapportageverplichting waarin moet worden aangegeven waarom de bestuurstafels wederom gevuld zijn met stropdassen. Zuivere onwil, daar riekt het naar.

Helaas is het een mythe dat anno 2015 mannen en vrouwen dezelfde kans hebben op een toppositie. Tal van onderzoeken laten zien dat old boys vooral new boys aannemen. Uit onderzoek van de Rijksuniversiteit Groningen blijkt bijvoorbeeld dat mannen het liefste iemand kiezen die op hen lijkt, de facto een andere man, terwijl voor vrouwen de keuze tussen een mannelijke of vrouwelijke leidinggevende om het even is. Om die reden zal er nooit een old girls netwerk ontstaan, dat tegenmacht kan bieden aan de door hoofdzakelijk mannen samengestelde raden. Sterker nog, Roos Brekelmans liet in een onderzoek zien dat huidige topvrouwen tegen een vrouwenquotum zijn omdat ze denken dat daarmee hun eigen positie in gevaar is: ook vrouwen hebben geïnternaliseerd dat er uiteindelijk maar plek is voor één vrouwtje op de apenrots. Kortom: mannen gaan vrouwen niet helpen, vrouwen elkaar helaas ook niet, en Jet Bussemaker schuift de hete aardappel maar al te graag door naar het volgende, wellicht rechts-conservatieve kabinet.

Gelijkwaardigheid als uitgangspunt

In de discussies over topvrouwen en vrouwenquota duiken vaak talloze economische argumenten op. Gemengde teams zouden bijvoorbeeld beter presteren, meer vrouwen in de top zou leiden tot meer winst. Evenwel wordt er beweerd dat bedrijven met vrouwen in de top juist ‘geld kosten’, maar misschien komt dat wel juist weer omdat vrouwen minder risico zouden nemen waardoor uiteindelijk ook minder bedrijven failliet gaan. Behalve dat je op deze manier eindeloos onderzoeken tegen elkaar kunt wegstrepen, wordt juist het belangrijkste vergeten: het gaat erom dat we een wereld nastreven waar man en vrouw gelijkwaardig zijn, waar organisaties, of dat nu gaat om politieke partijen, de overheid of het bedrijfsleven, een afspiegeling van de samenleving zijn. Een wereld waarin een waarde als gelijkwaardigheid belangrijker is dan snelle winsten. Dergelijke economische argumentatie zorgt er alleen maar voor dat het debat verzandt in een filibusterende welles-nietes discussie.

Precies daarom is de reden dat de KPN zijn eigen opgelegde vrouwenquotum ongeveer een jaar geleden los liet tenenkrommend, maar helaas een extra bevestiging dat we er nog lang niet zijn. De verantwoordelijke zei hierover: “We moesten de afgelopen jaren putten uit een beperkte groep vrouwen aangezien alle grote bedrijven in dezelfde vijver vissen. Uiteindelijk zie je vooral blanke, hoger opgeleide vrouwen, tussen de 40 en 50 jaar oud met dezelfde sociale achtergrond binnenkomen. Een aantal leek in gedrag en capaciteit erg op de mannen die er al zaten, inclusief hun tekortkomingen.” Vrouwen die net zo functioneren als mannen, stel je voor! Helaas is deze redeneertrant nog alom vertegenwoordigd. Bedrijven willen best een vrouw in de top, maar dan moet ze op z’n minst een duidelijke meerwaarde hebben. Gelijkwaardigheid ammehoela, dit soort mensen moeten ervoor zorgen dat de komende acht jaar wél genoeg vrouwen in de top komen? Ik zie het somber in.

Een quotum werkt

En toch wringt het quotum bij veel mensen. Het heeft iets geforceerds. Vrouwen moeten er op eigen kracht komen, want niemand wil toch worden weggezet als excuustruus? Uit Belgisch onderzoek blijkt dat vrouwen die via een quotum binnen zijn gekomen – België werkt hier al sinds 2011 mee – dit absoluut niet zo ervaren. Ze voelen zich net als hun mannelijke collega’s serieus genomen en op waarde geschat. Bovendien geven zittende bestuursleden aan dat er onverminderd wordt geselecteerd op kwaliteit: “De competenties van de kandidaat blijven voorop staan.”

Ook de praktijk in Noorwegen laat zien dat het argument dat er niet voldoende vrouwen geschikt of bereid zijn om plaats te nemen in een raad, niet op gaat. Sinds de invoering van een 40 procent-quotum in 2003 treden er zelfs beter gekwalificeerde vrouwen toe als bestuurder of commissaris dan voor het quotum; een groep die er voorheen wel was, maar blijkbaar niet werd aangeboord. Ergo: wie zegt dat er geen geschikte vrouwen zijn, moet gewoon beter zoeken. De Noorse overheid hielp hierin overigens door een topvrouwenregister aan te leggen waar bedrijven uit konden putten: precies het plan dat Bussemaker eerder dit jaar afschoot.

We kunnen met jaloezie kijken naar Duitsland. Daar lukt het SPD-ministers Manuela Schwesig en Heiko Maas wél om een vrouwenquotum in te voeren terwijl ze in een moeilijke coalitie zitten met het CDU/CSU. Vooruit, dit quotum zal gelden voor alleen de 108 grootste bedrijven en dan alleen voor de raad van commissarissen, maar zelfs Merkel zei over het aangenomen wetsvoorstel: “We kunnen het ons niet langer veroorloven de kwaliteiten van vrouwen niet optimaal te benutten.” Weer een thema waarop we door nota bene Merkel links worden ingehaald. Ondertussen hebben we in Nederland nog een lange weg te gaan als het gaat om gelijkwaardigheid tussen man en vrouw, waarvan de verdeling van topposities slechts één aspect is. Gisteren trok het kabinet jammer genoeg wederom aan de handrem.