Waar voor je geld: waarom de positie van kunstenaars ons allemaal aan gaat

“Door bezuinigingen werkt kunstenaar weer voor een hongerloon”, kopte de Volkskrant op 22 januari. De niet-Telegraaflezers onder ons zullen van zulke chocoladeletters wellicht hebben opgekeken, maar hij is bepaald niet overdreven. Het SER-rapport waar het artikel over gaat, legt genadeloos bloot hoe in de uitvoerende kunsten geen droog brood meer te verdienen valt, als je al aan werk weet te komen. Naar verluidt was de SER zelf nog verbaasd over hoe negatief de conclusies van het rapport uitvielen.

bron afbeelding: © www.tOrange.us

Noem me cynisch, maar het verbaasde mij persoonlijk niet. Komend uit een familie van professionele muzikanten en zelf wat aanklooiend als semiprofessioneel drummer heb ik met eigen ogen gezien hoe bezuinigingen en inkomensonzekerheid er in de kunstensector inhakken. Hoewel in de publiciteit rond het SER-rapport vooral de aandacht ligt op uitvoerende kunstenaars, de ‘nieuwe onzekerheid’ waar kunstenaars mee geconfronteerd worden zit hem deels in het systematisch uithollen van kunstonderwijs. Voor veel kunstenaars is onderwijs hun ‘anker’, hun vaste inkomen dat hen in staat stelt om daarbuiten vrij hun kunst te maken – of dat nou binnen middelbare scholen is, muziekscholen of andere kunstencentra.

Over de laatste jaren is kunstonderwijs echter de grote verliezer in bezuinigingsland. Hoewel er veel is gewezen naar Halbe Zijlstra en zijn kaalslag in kunstenland, betreft het hier vooral bezuinigingen van gemeenten. Zoals het SER-rapport al aangaf, de gemeenten hebben voor zo’n 250 miljoen een tik uitgedeeld aan de kunstensector, waarvan het leeuwendeel bij het onderwijs is terecht gekomen. Sommige van die bezuinigingen zijn volstrekt onbegrijpelijk. In een exemplarisch voorbeeld drukte de Arnhemse SP-wethouder Gerrie Elfrink docenten van Het Kunstbedrijf Arnhem in een schijn-ZZP constructie, omdat de kosten van het nieuwgebouwde Rozet-gebouw onverwacht hoog uitvielen. De gemeente had zelf echter aangedrongen op verhuizing, maar legde de rekening toch neer bij de docenten. Arnhem is echter niet alleen, van Amsterdam tot Maastricht behandelen gemeenten cultuur en kunstonderwijs als afvoerputje van de begroting, franje om je stad mee op te leuken als er geld over is.

Big deal, zou je kunnen denken, hoeveel briljante kunst wordt er wel niet gemaakt door mensen die géén muziekschool of kunsteninstituut doorlopen hebben? Je kunt toch ook gewoon privéles nemen? Dat is zeker waar, maar dat levert nog steeds twee problemen op. Ten eerste maken grotere kunstencentra het mogelijk om ook minder populaire disciplines een plaats te geven. Veel kinderen willen gitaar leren spelen, slechts weinigen pakken de cello op. Binnen een muziekschool kan er echter ruimte zijn voor een goede cellodocent, en probeer eens een symfonieorkest te vinden zonder. Een dansschool maakt het mogelijk om naast jazz- en breakdance ook expressionistische Japanse dans aan te bieden. Dit allemaal maar aan de botte bijl van de markt laten afhangen leidt tot een enorme verschraling van het landschap, en daar worden we allemaal slechter van. Daar helpen geen honderd Matthäus-afleveringen van DWDD tegen.

Wellicht net zo belangrijk is het feit dat we met deze beweging kunstenaars nog verder in het zoek-het-maar-uit-hoekje van ZZP-land drukken, zoals duidelijk uit het SER-rapport blijkt. Muziekscholen en ateliers veranderen in zaalverhuurorganisaties waar kunstenaars zelf hun plekje huren, of eventueel op oproepbasis langs kunnen komen. Heb je echter een beetje praktijk opgebouwd, dan kun je er ook zomaar weer uitgeknikkerd worden en mag je maar hopen dat leerlingen met je mee gaan – als je al een alternatieve ruimte vindt. Hadden we zo’n model in de zorg opgebouwd, dan had AKVAKABO reeds jaren geleden de revolutie uitgeroepen, maar voor de kunstensector steekt men momenteel de poten niet uit – op een paar dappere zielen bij FNV Kiem na.

Dit alles zou nog niet zo erg zijn als we bereid waren daadwerkelijk wat neer te tellen voor uitvoerende kunst, de andere poot van het werkveld. Immers, in andere sectoren met veel ZZP’ers wordt ook genoeg verdiend, en valt zekerheid prima af te kopen – denk daarbij aan bijvoorbeeld de IT-business. Voor kunst zijn we echter niet bereid nog een halve stuiver neer te leggen, lijkt het. Ga eens rondvragen onder je lokale muzikanten en zelfs de beste, meest consistente muzikanten hebben allerlei bijbaantjes omdat ze van hun werk niet rond kunnen komen. Horecagelegenheden leggen per band een paar tientjes op tafel – nee, niet per bandlid, per band. Bedragen waar de gemiddelde loodgieter niet eens voor komt voorrijden, laat staan dat hij vervolgens een uur besteedt aan die lekkende kraan. Datzelfde geldt voor professionele podia: Voorprogramma’s krijgen per band ongeveer hetzelfde als de geluidsman in z’n eentje, terwijl je dezelfde uren maakt. Dat ook geluidsmensen fatsoenlijk betaald moeten worden staat buiten kijf, maar de verhouding is zoek.

De tragiek is dat dit voorlopig ook niet gaat veranderen. Daar zijn drie redenen voor: Ten eerste zullen veel kunstenaars in voorkomende gevallen toch doorploeteren. Het is per slot van rekening meer dan ‘slechts’ een vak. Hoe slecht het argument “ja maar, je vindt het toch leuk?” is wanneer een ander het gebruikt, het is een mantra die veel kunstenaars stiekem toch aanhouden – zelfs al gaat het ten koste van jezelf, en prijs je jezelf uit de markt. Het is ten slotte méér dan een vak, het is een passie en passies gaan voor de pegels. De tweede reden is dat als jij het niet doet, een ander er wel gaat zitten. Kunstenaars zijn verdomde slecht verenigd, dus collectief in staking voor betere betaling zit er niet in. De consequentie is dat een beroepsgroep wiens vak drijft op samenwerking en interactie, volledig uit elkaar gespeeld wordt. Een beter voorbeeld van hoe verneukeratief losgeslagen marktmechanismen werken in een door ZZP’ers gedomineerd veld, is er haast niet.

De derde reden is eigenlijk de simpelste, maar ook het moeilijkst op te lossen: er is een collectieve onderwaardering van kunst en cultuur. Van het economisch marktrationalisme van VVD tot het grondig vervlakte volkssocialisme van de SP, weinig partijen voelen zich geroepen om structureel op te komen voor kunstenaars. Natuurlijk, pronken met mooie poppodia en portretten van roofregenten willen we allemaal wel. Niemand wil echter het risico lopen als elitaire subsidieslingeraar te worden weggezet. Dat kunst en cultuur gezamenlijk een fractie van de landsbegroting vormt, lijkt daarbij niet ter zake te doen – voor de politiek is kunst overbodige franje waar vooral niet te veel geld in moet.

Dit is echter een grondige misvatting, en juist de PvdA zou zich dat moeten aantrekken. Bestaanszekerheid is voor iedereen belangrijk, en dus zeker ook voor kunstenaars. Het gaat echter verder dan dat. In een diverse samenleving is kunst een universele taal die mensen uit diverse achtergronden kan verbinden, en een beetje meer verbinding kunnen we op dit moment goed gebruiken. Kunst is bovendien voor veel mensen een manier om zin te geven aan hun leven, die bijvoorbeeld in zorgverlening ondersteunend kan zijn. Investeringen in kunst als activiteit voor ouderen, of kwetsbare jongeren kan grotere kosten later voorkomen. Kunst is, kortom, geen franje maar van essentieel belang voor een gezonde en levendige samenleving. Wie dat verzorgt, mogen we zeker een beetje meer waarderen.