De arbeidsmarkt van de toekomst begint nu

We staan aan het begin van een Vierde Industriële Revolutie, die de arbeidsmarkt zoals we die nu kennen compleet overhoop gaat gooien. Er staan ons rigoureuze veranderingen te wachten, als de voorspellingen over ontwikkelingen in de informatie- en biotechnologie bewaarheid worden, zoals voorspeld door o.a. Harari (2019) en Schwab (2016). Met algoritmes die de menselijke wil kunnen doorgronden en beter dan mensen in staat zijn om producten te bedenken die aansluiten op onze wensen, is de keuzevrijheid en privacy van consumenten straks helemaal niet meer zo vanzelfsprekend. Bovendien lijkt hierdoor de toekomstige werkgelegenheid in het geding te komen. Deze nieuwe technologische ontwikkelingen hoeven helemaal niet zote zijn, als we in een meer technologisch bewuste maatschappij hadden geleefd. Een maatschappij waarin er democratisch, en in een goed geïnformeerd (inter)nationaal debat wordt besloten in welke richting deze technologieën zich moet ontwikkelen, en hoe deze tot dienst zou kunnen zijn aan bepaalde doelen waar we als mensheid waarde aan hechten.

Echter, we leven in een liberale, kapitalistische maatschappij waarin juist die technologieën worden doorontwikkeld waaraan investeerders denken het meeste geld te kunnen verdienen. De recente onthullingen van klokkenluiders bij Facebook en Google illustreren dit als geen ander. We zitten nu op een pad waarbij monopolistische techreuzen de dienst uitmaken en een alleenrecht lijken te hebben op hoe de technologie van de toekomst eruitziet. En wie bepaalt hoe de technologie van de toekomst eruitziet, bepaalt uiteindelijk ook hoe de maatschappij er in de toekomst uitziet. Dit is niet democratisch, en hebben we er wel vertrouwen in dat deze techbedrijven het beste met ons voorhebben?

Behoefte aan een nieuwe visie

Daarom moeten overheden het heft in eigen handen nemen en goed nadenken over een toekomstvisie, want als de technologie eenmaal ontwikkeld is, is het al te laat. Nationale overheden hebben maar een beperkte slagkracht, maar kunnen wel bepaalde eisen en grenzen stellen aan hoe bepaalde technologie wordt ingezet, en bovenal kunnen ze de bevolking erop voorbereiden. Het doel moet zijn om de algehele werkgelegenheid te beschermen, en niet banen an sich. Uiteindelijk is het de mens achter de baan die telt.

Dit principe wordt nu al volop in de praktijk gebracht, met ‘een leven lang leren’ als motto. Ook nu in de coronatijd is er weer veel geld beschikbaar gesteld om mensen van de ene baan naar de andere te helpen, en zo nodig om te scholen. Vaak kan dat niet, omdat je bijvoorbeeld niet zomaar van een praktijkgerichte functie naar een meer abstracte functie kunt overstappen, of andersom. Maar omscholing binnen een bepaalde sector van de arbeidsmarkt kan meestal wel, en helpt om het aanbod beter bij de vraag aan te laten sluiten, en zo de werkgelegenheid op peil te houden. In plaats van een incidentele subsidie of een omscholingsprogramma voor bepaalde sectoren, zou dit principe op een universele manier ingezet moeten worden. Gedacht kan worden aan het inhouden van een bepaald percentage van het loon voor toekomstige opleidings- en omscholing doeleinden, zoals nu al gebeurt met volkspremies en sociale verzekeringen, in combinatie met een verlaging van de inkomstenbelasting.

Daarnaast zijn technologische ontwikkelingen in de informatietechnologie ook niet per se slecht voor de maatschappij, zelfs als hiermee werkgelegenheid verloren gaat. Dit kan worden tegengaan door bijvoorbeeld arbeidstijdverkorting. De hogere arbeidsproductiviteit, en dus de toegevoegde waarde aan het nationaal inkomen die men ermee wint, kan men weer gebruiken om de algehele levensstandaard omhoog te halen voor mensen die niet van deze technologische ontwikkelingen profiteren, bijvoorbeeld in de vorm van betere en betaalbaardere dienstverlening. Het gaat er uiteindelijk om hoe we ermee omgaan, en dat we de arbeidsmarkt en het onderwijs zo inrichten dat de menselijke waardigheid niet lijdt onder nieuwe technologie. Hierbij is alleen omscholing niet genoeg. Voor we concrete beleidsvoorstellen gaan ontwikkelen is er daarom eerst behoefte aan een nieuwe visie op de inrichting van onderwijs en werk. Wij betogen dat we technologische ontwikkelingen niet kunnen tegenhouden, maar onze maatschappij en vooral onze (toekomstige) werknemers er wel op moeten voorbereiden.

Een mensgericht onderwijs

Het onderwijssysteem in Nederland heeft de afgelopen jaren veel technologische ontwikkelingen doorgemaakt. Zo zijn er steeds meer scholen die, in plaats van boeken, gebruik maken van iPads of laptops. Ook zijn er verschillende apps die het leven van de leerlingen gemakkelijker maken, zoals magister. Er wordt al een hele tijd gespeculeerd over hoe het onderwijssysteem er in de toekomst uit moet komen te zien. Een van de meest genoemde voorbeelden is een school waarin leerlingen niet langer van negen tot vier in de schoolbanken hoeven te zitten, maar via uitlegvideo's en andere vormen van digitaal onderwijs, de les kunnen volgen.  Als men een jaar geleden nog niet met afkeer tegen deze vorm van onderwijs aankeek, zullen de meeste dat inmiddels wel doen. Tijdens het verplichte thuisonderwijs in de eerste golf van het corona virus bleek al snel dat deze vorm van onderwijs voor de meeste leerlingen en leraren niet goed werkte. Er was een gebrek aan individuele uitleg, structuur en bovenal aan sociaal contact.

Het grootste argument voor de bevordering van de technologisering in het onderwijs is de verhoging van de efficiëntie. Dit argument gaat echter niet op in het onderwijs. In het onderwijs zijn we er dankzij de coronacrisis nogmaals op gewezen dat onderwijs er niet alleen is om stof op te slaan en te verwerken, maar dat het gaat over de algemene ontwikkeling van de leerlingen die soms juist door technologisering minder efficiënt is.

School zou een plek moeten zijn waar leerlingen vaardigheden leren die hun algemene ontwikkeling bevorderen. Dit is mogelijk door op collectieve schaal een maatschappelijke basis mee te geven aan kinderen, maar nog wel op individueel niveau te kijken naar het onderwijs waar het kind het meest van kan profiteren. Zo moet er ook meer ruimte worden ingelast voor kinderen die bijvoorbeeld een carrière in sport of muziek willen volgen, met het oog op een toekomst waarin veel voorheen menselijk werk zal worden overgenomen, maar er wel toekomstperspectief is voor ‘belevingsberoepen’ in de entertainmentindustrie en sportwereld.

Ook de vaardigheden die men nodig heeft om goed aan te sluiten op de arbeidsmarkt zijn in de afgelopen jaren sterk veranderd en zullen zich in de komende jaren blijven ontwikkelen. Waar men vroeger toch echt in de boeken moest duiken om antwoorden op vragen te vinden, is men daar nu met een paar klikken al achter. Het is wellicht dus toekomstbestendiger om kinderen te leren hoe ze het beste met deze technologie kunnen omgaan, in plaats van ze jarenlang dingen te leren die later misschien helemaal niet meer van belang zullen zijn. Dit omdat er steeds snellere en slimmere computers gaan zijn die veel beter kennis kunnen aanleren en opslaan dan mensen.

Ook is de manier waarop wij vakken in het onderwijs rangschikken, drastisch aan verandering toe. Vaak wordt er met een negatieve blik naar de alfa (maatschappelijke) vakken gekeken terwijl de bèta (exacte wetenschap) vakken meer aandacht genieten. Dit voornamelijk omdat wij denken dat dit soort vakken een goede basis legt voor de beroepen die wij voor de technische ontwikkeling van de toekomst nodig hebben. Maar wat gebeurt er nadat al deze technische ontwikkelingen zijn doorgevoerd en een groot deel van de technische beroepen efficiënter kan worden overgenomen door robots? Juist in een wereld waarin kunstmatige intelligentie een groot deel van de voorheen menselijke taken uit zal gaan voeren, is de ethiek onmisbaar en zijn filosofen, psychologen, sociologen en andere beroepen die zich bezighouden met het menselijke gedrag, enorm van belang. Daarom moet een verandering plaatsvinden in de manier waarop wij onze schoolvakken rangschikken. Er moet binnen het schoolprogramma meer ruimte komen voor maatschappelijke vakken. Denk hierbij niet enkel aan maatschappijleer, wat al op de meeste middelbare scholen voor alle vakkenpakketten een verplicht vak is. Denk bijvoorbeeld ook aan het vak maatschappijwetenschappen. In dit vak leer je in plaats van de werking van politieke systemen, hoe mensen binnen de maatschappij zich op zowel sociaal als politiek vlak tot elkaar verhouden. Juist hier moet het onderwijs van de toekomst meer nadruk op leggen, om de menselijkheid in onze veranderende wereld te kunnen garanderen.

Terug naar de basis

De laatste twintig tot dertig jaar is er binnen de onderwijs- en beleidswetenschappen de consensus ontstaan dat er een beperkt groepje mensen is met speciale vaardigheden en kennis, die verantwoordelijk is voor het aanjagen van de economische groei en innovatie in een land. Deze groep mensen is altijd hoogopgeleid, is niet gebonden aan een speciale regio of land, en woont altijd in een grote stad in een aantrekkelijke wijk met veel culturele voorzieningen. Dit is de groep mensen, die in navolging van Richard Florida’s boek (2002) bekend is komen te staan als de ‘Creative Class’. Het aantrekken van mensen uit de Creative Class is voor veel steden een doel op zich geworden, omdat ze voor verjonging en dynamiek zorgen.

Binnen deze creatieve klasse is er een duidelijk onderscheid, bijna een tweedeling, tussen de alfa- en bèta mensen. In plaats van de ‘Creative Class’ zoals Florida die beschrijft, moeten we juist meer toe gaan werken naar een ‘Adaptive Class’, die een goede algemene sociale en maatschappelijke ontwikkeling als basis heeft, en daarbovenop technische kennis kan toevoegen al naargelang de actuele technologische ontwikkelingen daarom vragen.

Dit vraagt ook om een andere benadering van hoe men de arbeidsmarkt vormgeeft. Het overheidsbeleid is al die tijd gericht geweest op het stimuleren van startups die zouden moeten zorgen voor innovatie en nieuw leven in de brouwerij. Steden werken steeds meer samen in kennisregio’s om de graag geziene hoger opgeleide kenniswerkers binnen te kunnen halen, en hopen een nieuwe dynamiek op gang te brengen door het koppelen van kennisinstellingen, bedrijven, stimulerende investeringen en programma’s van de overheid. Dit heeft zichtbare resultaten opgeleverd, als je bijvoorbeeld kijkt naar de Brainport Regio Eindhoven. Zowel de economie als de bevolking is daar de laatste jaren harder gegroeid dan het landelijke gemiddelde. Ook is het waar dat deze nieuw aangetrokken technologiebedrijven veel aanverwante werkgelegenheid met zich meebrengen, aangezien deze veel verschillende toeleveranciers nodig hebben. In het kielzog van al die grote aandacht-genererende technologiebedrijven is het belang van een goed functionerende arbeidsmarkt in de meer traditionele sectoren echter ondergesneeuwd, en dit kan grote gevolgen hebben in de toekomst.

Een groot deel van de bevolking herkent zich bovendien niet in het verhaal van de creatieve klasse, en worstelt met de globalisering die een mondiale competitie om het binnenhengelen van mensen met specifieke technische vaardigheden centraal stelt. Grote groepen mensen worden op die manier niet meegenomen in de belangrijkste maatschappelijke opgave van de komende tijd, namelijk het veiligstellen van goed werk in tijden van technologische ontregeling voor de bevolking in zijn geheel.

Een sociaaldemocratische oplossing

Het is onderhand duidelijk dat de focus op de Creative Class en innovatieve start-ups niet het wondermiddel is voor meer economische groei en welvaart. De huidige productiviteits crisis in de Nederlandse economie toont aan dat er daarvoor te weinig nieuwe fundamentele kennis wordt gegenereerd (zie o.a. Kleinknecht, 2020). Maar ook als er in de komende decennia meer disruptieve informatie- en biotechnologie beschikbaar komt, zou het waardevol zijn om te onderkennen waar echte innovatie vandaan komt: werknemers die zich prettig voelen in hun werkomgeving, en vanuit een zekere bestaans- en baanzekerheid, hun innovatieve ideeën durven te delen met hun collega’s en leidinggevenden. Dit is veel moeilijker in een werkomgeving waar werknemers in een snel tempo van baan wisselen, omdat daarmee essentiële ervaringskennis verloren gaat. Ook hebben werknemers dan meer de neiging goede ideeën die een efficiëntieverbetering teweeg zouden kunnen brengen voor zichzelf te houden, vanwege een gebrek aan opgebouwde loyaliteit.

Deze flexibilisering van de arbeidsmarkt gaat dus ten koste van de innovatiekracht van onze economie. We kunnen dit herstellen door het stellen van andere prioriteiten. Waar moet een gezonde arbeidsmarkt aan voldoen? Het belang van goede werkomstandigheden, menselijke waardigheid, werk dat aansluit op de interesse en vaardigheden van mensen, werk waar mensen voldoening uit halen en gelukkig van worden, en het gevoel aan overhouden echt iets bij te dragen aan de maatschappij, dat moet voortaan prioriteit hebben. Een opsomming van sociaaldemocratische waarden, maar volgens ons ook een recept voor een meer innovatieve en veerkrachtige economie, die klaar is voor de technologische ontwikkelingen van de toekomst. Dit betekent concreet dat er bij cao-onderhandelingen meer aandacht moet komen voor de kwaliteit van werk, in plaats van alleen de kwantiteit.

Ten slotte zullen er bepaalde grenzen moeten worden gesteld aan hoe ver de invloed van bepaalde algoritmes mogen reiken. Vooral de combinatie tussen informatietechnologie en biotechnologie biedt dystopische vooruitzichten. Want welke banen blijven er nog gespaard als computers niet alleen maar oneindig beter logisch kunnen redeneren, maar ons zelfs op sociaal-emotioneel vlak overvleugelen? Dan is er zelfs geen plaats meer voor musici, componisten en kunstenaars. Het is dus van belang dat overheden, en dan met name op Europese en mondiale schaal, plannen gaan ontwikkelen om in ieder geval de meest disruptieve technologieën, zoals biosensoren op nanoschaal, strak te reguleren. Het ideaal van de vrije markt, waarin technologiebedrijven zichzelf wel kunnen reguleren, moet definitief worden losgelaten. Een sterkere, meer daadkrachtige overheid kan sturing geven aan grote technologische ontwikkelingen, mits dit op basis gebeurt van een democratisch maatschappelijk debat.

Voordat we deze maatschappelijke veranderingen kunnen doorvoeren, zullen we eerst onze manier van denken over deze onderwerpen moeten aanpassen. De aandacht voor dit onderwerp ontbreekt echter nog in de media, politiek en maatschappij, die veelal gericht zijn op verhalen die nu spelen, en op snelle resultaten. De tijd voorafgaand aan de Tweede Kamerverkiezingen biedt dan ook meestal een van de weinige ‘windows of opportunity’ die er in Nederland zijn om structurele veranderingen aan te kaarten. Wij roepen politici, professionals en academici op om de tijd tot aan de verkiezingen te gebruiken om te zorgen dat dit onderwerp hoog op de politieke agenda staat. Het is nu belangrijker dan ooit dat we zelf bepalen hoe de toekomst van werk eruit gaat zien, anders doet de wereld dat voor ons.

Bronnen