De Kloof: Iets meer realpolitik wenselijk in het EU-debat

In aanloop naar de presentatie van het boekje van de Zomerschool op 26 januari, presenteert Jong WBS enkele essays van de deelnemers. Alle essays gaan in op het thema van de Zomerschool: De Kloof. Vandaag, Shobi Mohammad over de kloof in het EU debat.

bron afbeelding: flickr.com: Donkeyhotey

Hoewel de afgelopen jaren veel is gedebatteerd over de Europese Unie (EU), blijft dit debat in zekere zin beperkt en eenzijdig. Zeer algemeen gesteld betogen EU-voorstanders vrede, economische welvaart en het oplossen van grensoverschrijdende problemen. EU-tegenstanders daarentegen betogen verminderde nationale beleidsvrijheid, te veel financiële steun aan zwakke EU-lidstaten en een EU-apparaat dat te duur en te log is. In dit verband rijst de vraag waarom er niet wordt gedebatteerd over de diverse crises die heersen in Europa. Neem de kredietcrisis, staatsschuldencrisis, legitimiteitscrisis, vluchtelingencrisis. Is het niet onzinnig om deze complexe vraagstukken nagenoeg volledig te ontwijken en het EU-debat te reduceren tot de eerder genoemde voor en tegen argumenten?

Doorgaans gaat een bedrijf dat zich niet tijdig aanpast aan de veranderingen in de markt vroeg of laat ten onder. Neem Nokia of Vroom & Dreesmann. Een iets andere situatie doet zich voor wanneer de overheid (EU, Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) zich niet tijdig of zelfs zich helemaal niet aanpast aan de veranderingen in de samenleving: zij blijft voortbestaan.1 Het verschijnsel dat sociale systemen soms de neiging vertonen te blijven voortbestaan om geen andere reden dan dat zij er zijn, hoewel veranderingen mogelijk en wenselijk zijn, wordt in de sociale wetenschap aangeduid met het begrip ‘inertie’2. Denkbaar is dat de EU door inertie haar gelding verliest in Europa. Een crisis eist immers verandering. En doet de EU dat voldoende?

Bij de bestudering van de kredietcrisis van 2007 valt op dat het werkelijke probleem nog steeds niet is aangepakt, namelijk het zogeheten fractional reserve banking. Bij deze vorm van bankieren kunnen banken ons spaargeld wel 40 keer of meer uitgeven in de vorm van kredieten. Dat betekent echter ook dat als er een krediet niet kan worden terugbetaald, dan de bank dit verlies moet afschrijven met echt spaargeld. Want in de praktijk is het spaargeld nog het enige resterende met waarde en niet de kredieten. Men kan zich indenken dat een systeem waar de verdeelsleutel spaargeld en kredieten zo onevenredig is, haast wel fout moet gaan in de vorm van een tweede kredietcrisis. Niet de banken, maar het geldsysteem moet worden aangepakt. Dit is naar mijn inzichten dan ook de reden waarom de kredietcrisis van 2007 maar niet voorbijgaat, ondanks het verscherpte toezicht op banken, bankenbelasting en andere control-maatregelen.

Het alternatief voor fractional reserve banking is alom bekend, namelijk full reserve banking. Bij full reserve banking – het woord zegt het al - moeten de banken de kredieten die ze verstrekken volledig afdekken met bijvoorbeeld contant geld. Uiteraard zullen er ook nadelen kleven aan full reserve banking. Daarom wil het vorenstaande nog niet zeggen dat ik van mening ben dat alle EU-lidstaten moeten overstappen op full reserve banking. Maar waar het mij juist om gaat is, dat er wordt gedebatteerd over realistische oplossingen voor de kredietcrisis en realistische oplossingen voor de andere crises die heersen in Europa. Hopelijk leidt dit debat tot het doorbreken van de inertie binnen de EU.

1 Hoewel verkiezingen een mogelijk corrigerend karakter kennen.

2 Valk, J.M.M. de, e.a. (1977). Encyclopedie van de Sociologie. Amsterdam: Elsevier