Pensioenwensen van de vakbond remmen het economisch herstel van Nederland

Per 1 januari 2013 is de AOW-gerechtigde leeftijd 65 jaar en een maand. De leeftijdsgrens gaat de komende jaren verder omhoog tot 67 jaar in 2021 en loopt vanaf dat moment mee met de levensverwachting. Naar verwachting is de AOW-leeftijd in 2040 68,5 jaar. De verhoging is een revolutionaire, noodzakelijke stap voor het Nederlandse sociale zekerheidsstelsel.

Het is een wonder dat de AOW-gerechtigde leeftijd bijna zestig jaar lang gelijk is gebleven. Bij de invoering van de Algemene Ouderdomswet in 1957 was de gemiddelde levensverwachting voor 65-jarigen vijftien jaar, anno 2013 is dat negentien jaar. Ook het aantal levensjaren in goed ervaren gezondheid is sterk toegenomen. De Nederlander boekte de laatste decennia dus vier jaar aan levens- en gezondheidswinst, en kan en wil daardoor ook langer doorwerken! Dit zie je terug in de pensioneringsleeftijd, de gemiddelde leeftijd waarop mensen daadwerkelijk stoppen met werken. Deze komt de laatste jaren steeds dichterbij de AOW-gerechtigde leeftijd te liggen, en is nu 63,6 jaar. Sterker nog: steeds meer mensen werken als AOW-ontvanger nog door: veertig procent van de werknemers is bij pensionering 65 jaar of ouder.

Het verhogen van de AOW-leeftijd lijkt dus een goede maatregel. Nederlanders zijn er zowel qua gezondheid als arbeidsgedrag aan toe. En de leeftijdsverhoging verlicht het dekkingsprobleem van het AOW-omslagstelsel door de vergrijzing. Er zijn steeds minder werkenden om de stijgende AOW-kosten – nu ruim 31 miljard – door te betalen. De opbrengsten uit de gemaximeerde AOW-premie van 17,9% zijn allang niet meer kostendekkend en via de normale belastingopbrengsten wordt nu al ruim 10 miljard (30%) bijbetaald. Dit laat zien dat het oude stelsel, zoals bedacht in 1957, failliet is. De destijds verantwoordelijke minister, J.G. Suurhoff, sprak uit dat het logisch zou zijn de AOW-leeftijd aan de levensverwachting te koppelen. Dit zijn we na bijna zestig jaar eindelijk aan het doen.

De vraag die vakbonden en werkgevers nu bezighoudt, is hoe de regels rondom het aanvullende pensioen moeten worden aangepast bij een stijgende AOW-leeftijd. Het kabinet-Rutte II wil, omdat er door gezondheidswinst langer kan worden doorgewerkt, het maximaal fiscaal gefaciliteerde ‘opbouwpercentage’ verlagen. In het regeerakkoord ‘Bruggen Bouwen’ uit 2012 staat dat per 2015 het jaarlijkse opbouwpercentage wordt gemaximeerd op 1,75% per jaar voor de middelloonregelingen. Nu is dat 2,25%. En in 2014 2,15%, als het wetsvoorstel Witteveen I op 8 oktober door de Eerste Kamer komt. Daarnaast wordt belastingaftrek van pensioenpremies bij een inkomen boven 100.000 euro bruto niet meer mogelijk. Beide plannen stuitten op grote polderbezwaren. Vakbonden vonden dat er sociale rechten werden verkwanseld en te weinig pensioenopbouw mogelijk werd om een goede oude dag veilig te stellen. Werkgevers vonden het sociaal rechtvaardig dat alle inkomens - ook de hogere - pensioenpremies kunnen aftrekken bij de belastingaangifte.

Er kwam een oplossing: onderhandelingen tussen werkgevers en werknemer leidden tot een maximaal opbouwpercentage van 1,85%, een lichte verhoging dus. Stel: een werknemer werkt 45 jaar vanaf zijn 23,5ste tot zijn 68,5ste (de AOW-gerechtigde leeftijd stijgt mee met de levensverwachting), dan bouwt hij of zij met deze maximale opbouw een aanvullend pensioen op van ruim 83% van zijn middelloon (het gemiddelde loon over zijn carrière). In de ideale situatie waarin pensioenfondsen de maximale ‘oude’ 2,25% hanteren en een werknemer 41,5 jaar werkt, bijvoorbeeld van zijn 23,5ste  tot zijn 65ste (de AOW-gerechtigde leeftijd stijgt niet), bouwde hij een pensioen op van ruim 93% van zijn middelloon. Maar nu is het gemiddelde opbouwpercentage echter al 1,87%, de maximale fiscaal gefacilieerde opbouw wordt door veel pensioenfondsen niet gehanteerd. In 2008 was het gemiddelde opbouwpercentage nog 2,09%, maar onder druk van dalende dekkingsgraden en de onwil tot vergaande afstempeling is deze in 5 jaar ‘stiekem’ met een goede 0,20%-punt verlaagd. Er is dus al pensioen van de jongere generatie ´afgepakt´, of in ieder geval minder opgebouwd. Toch, als we straks 45 jaar werken met een fiscaal gefacilieerde opbouw van 1,85%, bouwen we een pensioen van 83% middelloon.

Dit lijkt redelijk. Onderzoek wijst uit dat de bulk van de pensioengerechtigden nu een aanzienlijk deel van hun pensioenuitkering niet uitgeven, consumeren, maar oppotten: het pensioen is hoger dan noodzakelijk. Onderzoeken van het CPB en CBS laten keer op keer zien dat het uitgavenpatroon van een pensioengerechtigde zo rond het zeventigste levensjaar ‘in elkaar klapt’. Dit is ook logisch: vaak is de koopwoning afbetaald, de kinderen uit huis, er worden minder diepte-investeringen worden gedaan en de sociaal-maatschappelijke activiteiten nemen met de leeftijd af. De AOW-regeling heeft tegelijk zijn doel bereikt: onder ouderen bestaat armoede praktisch niet. Sterker nog, een AOW-uitkering is duidelijk hoger dan het sociale minimum in Nederland, de bijstand (WWB) die voor alle volwassen onder de 65 jaar én één maand geldt. De koopkracht van een AOW-er is ongeveer 15% hoger dan van een bijstandsgerechtigde. Een lager opbouwpercentage van de aanvullende pensioenen schaadt dus praktisch niemand. Een lager opbouwpercentage en een hogere AOW-leeftijd verbetert de dekkingsgraad van pensioenfondsen tegelijkertijd aanzienlijk, aangezien hun toekomstige uitkeringsverplichtingen lager uitvallen, en verkleint de kans op ‘afstempelen’ van pensioenaanspraken voor de oudere én de jongere generatie. Kortom: de discussie lijkt vooral op basis van emoties gevoerd te worden.

Waar de strijd nu over gaat, is de aanwending van de vrijgevallen financiële ruimte door een lager opbouwpercentage van ofwel 1,85% dan wel 1,75%. Gaat dit naar premieverlaging voor werknemers en werkgevers? Naar versterking van de dekkingsgraden van pensioenfondsen om afstempeling te voorkomen? Of naar vervroegde uittredingsregelingen met het oog op de oplopende werkloosheid? De vakbonden hebben een voorkeur voor grote pensioenpotten en nieuwe vroegpensioenregelingen. De optie van premieverlaging is geen wens van de vakbonden. Het doel van het VVD-PvdA kabinet is echter juist wel om een premieverlaging te forceren, aangezien momenteel ongeveer 25% van de loonkosten aan pensioen opgaat: 16% aan de werkgeverspremie en 9% aan de werknemerspremie. Pensioenpremieverlaging zorgt ervoor dat huishoudens meer consumptiemogelijkheden krijgen door een hoger besteedbaar loon en het bedrijfsleven meer investeringsmogelijkheden krijgen door lagere arbeidskosten. Wat meer directe uitgavenruimte voor de Nederlandse economie op weg naar herstel, juist nu het zo nodig is. Lagere pensioenpremies kunnen zo leiden tot meer economische groei, minder werkloosheid en hogere besteedbare inkomens voor werknemers. Daar moet een bond toch voor tekenen? Toch is de conclusie tot nu toe: de pensioenwensen van de vakbonden remmen het economisch herstel van Nederland. Een pijnlijk gegeven.