Vleesch

In 1984 zongen een flink aantal bekende popartiesten het nummer Do they know it’s Christmas? Hoewel over het belang voor de muziekgeschiedenis getwist kan worden, leverde het wel veel geld op voor het goede doel.

De vrolijke kerstbellen en opgewekte tonen omlijstten een nummer om geld in te zamelen naar aanleiding van de hongersnood in Ethiopië. Deze hongersnood, die ten dele kan worden toegeschreven aan misoogsten ten gevolge van droogte, was vooral een ook een politieke. In het eerste couplet van de kersthit wordt het echte probleem dan ook al beschreven:

“In our world of plenty we  can spread a smile of joy”.

Honger is vooral een verdelingsvraagstuk en veel minder een probleem van te weinig productie. De wereld produceert tegenwoordig meer voedsel dan noodzakelijk om iedereen te voeden, dit kan worden onderstreept doordat meer mensen last hebben van overgewicht dan ondervoeding. Er zijn zelfs landen waar bijna iedereen te zwaar is. Toch leven nog steeds honderden miljoenen mensen met honger. Schattingen lopen uiteen van 836 miljoen (VN) tot 1 miljard mensen. In 2000 sprak de wereld af, als eerste Millenniumdoel, dat in 2015 de honger in de wereld gehalveerd moet zijn.

Dat er nog steeds honger is, in een wereld van overvloed, wordt deels verklaard door de ongelijke verdeling van inkomen, in de westerse wereld is een big mac binnen twintig minuten verdient, in Kenia werkt men er gemiddeld tweeënhalf uur voor. Dit hint op het probleem van de vleesconsumptie. Ondanks dat mensen te weinig te eten hebben wordt in de westerse wereld vee gevoed met graan en andere voedingsmiddelen. Voor een kilo vlees is tot 25 kilogram voer nodig. Hierbij moet wel worden aangemerkt dat een deel grassen zijn die mensen niet kunnen verteren en daardoor niet direct concurreren met andere vormen van voedselvoorziening. Daar komt bij dat voor een kilo rundvlees 15.000 liter water en voor een kilo lamsvlees 10.000 liter water nodig is. Terwijl voor een kilo graan slechts 400 tot 3000 liter water nodig is. Tegelijk drogen de ondergrondse watervoorraden op door te grote vraag naar water.

De veeteelt heeft ook invloed op de klimaatverandering, het is zelfs een belangrijkere bron van broeikasgassen dan de transportsector. Uitstoot vindt bijvoorbeeld plaats bij de productie van het voer, maar er is ook sprake van methaanuitstoot (25 keer schadelijker broeikasgas dan het bekende CO2) door koeien, en NOx-uitstoot (298 keer schadelijker dan CO2), waarvan volgens de FAO 65% wordt veroorzaakt door de veeteelt.

De combinatie van alle broeikasgassen die door menselijk handelen worden uitgestoten draagt bij aan de verandering van het klimaat. Klimaatverandering en opwarming zijn heel normaal. De snelheid waarmee het sinds de industriële revolutie plaatsvindt, is dat niet. Planten- en diersoorten kunnen zich niet tijdig aanpassen. De bio-diversiteit, die door menselijk handelen toch al onder druk stond, zal hier verder onder leiden.

Voor veel mensen is dit nog een ver-van-m’n-bed-show. Doordat mensen biologisch zo ‘geprogrammeerd’ zijn dat we kansen en risico’s niet goed kunnen inschatten en problemen uit de toekomst als minder erg ervaren, is dit weinig politiek urgent. Zeker in vergelijking met belangrijker zaken als eurocrises en de relatie van Rafael van der Vaart. Echter, op den duur zal iedereen het merken. Droge periodes, grote overstromingen en andere extreme weersomstandigheden leiden tot sociale onrust en vluchtelingenstromen.

Vooral sociaal-democraten moeten deze problematiek aanvoelen. Het paternalistische idee van mensen helpen de juiste keuze te maken, omdat ze dat niet kunnen en het idealistische opkomen voor degene die dat niet zelf kunnen. Vaak zien we hierbij mensen uit de lagere sociale klasse voor ons, of de meer kosmopolitisch ingestelden zien arme mensen in Afrika op hun netvlies. Toekomstige generaties kunnen ook niet voor zichzelf op komen. Iedere Nederlander die in het verkiezingsjaar 2012 geboren is, kan pas op z’n vroegst in 2030 zelf gebruikmaken van stemrecht. Tot die tijd moet de huidige generatie beslissingen voor ze nemen. Een blik op de toekomst is hierdoor wel gerechtvaardigd.

Een laatste ontwikkeling die op het gebied van voedselconsumptie speelt is die van dierenrechten. Sinds Jeremy Benthem in de achttiende eeuw aangaf dat de mogelijkheid tot het voelen van pijn, leidend zou moeten zijn bij het toekennen van rechten is de beer los. Hoewel in Nederland deze ideeën zijn doorgeschoten tot de vorming van een politieke partij in het parlement, is het voorkomen van onnodig lijden wel degelijk een issue dat op gespannen voet staat met de consumptie van vlees en andere dierlijke eiwitten.

Dit spanningsveld tussen voedselzekerheid, duurzaamheid en diervriendelijkheid is lastig. Twee aspecten maximeren kan. Drie niet. Megastallen en bio-industrie zijn onwenselijk vanuit de kwaliteit van leven van de betrokken dieren. Door de grote efficiëntie en snelle doorlooptijd hebben deze de grootse productiviteit zowel per euro als per kilo voer. Daarnaast is de milieubelasting kleiner en meer geconcentreerd, waardoor deze beter is op te vangen. Biologische- en kleinschalige lokale landbouw aan de andere kant, zijn diervriendelijk en behoeven minder bestrijdingsmiddelen, wat wel weer leidt tot lagere opbrengst en hogere prijzen.

Een makkelijke oplossing is er niet. Zomaar stoppen met het eten van vlees is voor velen geen optie, niet alleen wegens het simpele argument “lekker”, maar ook door de culturele tradities die er aan vast zitten en de voedingswaarde die door vlees geleverd wordt. Eiwitten en aminozuren die de mens niet zelf kan maken, maar wel nodig heeft zijn makkelijk op te nemen via vleesconsumptie. Stoppen met de bio-industrie zoals de Partij voor de Dieren betoogt en alleen nog biologisch vlees eten is voor velen te duur en leidt ook nog eens tot een groter beslag op de schaarser wordende ruimte.

Het GroenLinks antwoord om vlees te beprijzen (‘vleestax’) klinkt sympathiek en logisch. De vervuiler betaalt is een algemeen geaccepteerd uitgangspunt. De schaduwzijde is dat lage inkomens relatief harder getroffen worden, omdat voedsel een groter deel van de bestedingen uitmaakt. Tegelijkertijd kan het een averechts effect sorteren doordat consumenten zullen overstappen van ‘ok-maar-niet-perfect vlees’ op kiloknallers.

De technisch optimisten, die geloven dat we door kunnen gaan met de huidige consumptie, omdat de menselijke inventiviteit groot genoeg is om problemen tijdig een halt toe te roepen, rekenen in dit geval buiten de beperkingen die de natuurwetten ons opleggen. Malthus beschreef twee eeuwen geleden al dat de stijging van voedselproductiviteit eindig is. Zeker wat betreft dierlijke eiwitten is er -zo lang het kweken van vlees in het laboratorium nog niet werkt- de fysieke beperking van de hoeveelheid vlees die uit een dier gehaald kan worden.

Bewustwording, gedragsverandering, Meatless Monday, Vegan Tuesday en andere modewoorden om te bewerkstelligen dat mensen minder vlees consumeren zijn niet effectief. Zeker niet wanneer de overheid gemengde signalen uitzendt door nog steeds de agrarische sector (indirect) te subsidiëren via de Europese landbouwsubsidies en de handelspolitiek. Een duidelijk voorbeeld van een verkeerd signaal is de al jaren lopende campagne om meer kip te eten. Gesponsord door Brussel. Een dergelijk aanpak is onduidelijk en onwenselijk. Het zou goed zijn als de overheid hiermee stopt. Wellicht is het zelfs beter om in plaats van landbouwbeleid voedselbeleid te gaan voeren, waarbij de vleesconsumptie wordt gemaximeerd. Krachtig ingrijpen vanuit de overheid is noodzakelijk, want als je het aan mensen zelf overlaat zal het effect te klein zijn.

Auteurs: Marnix Brinkman en Micha Lubbers