Weg met staat, markt en bemoeienis

Het krappe verlies dat de PvdA leed bij de laatste Tweede Kamerverkiezingen en de niet positief stemmende peilingen voor de verkiezingen van de Provinciale Staten en de Senaat — zelfs tijdens de grootste saneringsronde sinds lange tijd — maken het formuleren van een gezaghebbend en overtuigend alternatief voor het economische verhaal van het zittende kabinet belangrijker dan ooit.

bron afbeelding: Pixabay.com

Dat alternatief moet vanzelfsprekend niet archaïsch en conservatief zijn. Een dogmatisch terugdringen van marktwerking of het opnieuw nationaliseren van eerder geprivatiseerde nutsvoorzieningen is niet per definitie de juiste weg naar een eerlijker Nederland. Tegelijk moet een sociaal-democratisch verhaal wel meer inhouden dan een milde vorm van het liberalisme.

Een eerste maar belangrijke stap die moet worden genomen om tot een dergelijk verhaal te komen, is grondiger na te gaan denken over het conceptuele kader dat de grenzen stelt waarbinnen het debat over de economie op dit moment wordt gevoerd. Dat kader is gebaseerd op onbewezen liberale aannames die dusdanig dominant in ons denken zijn geworden, dat ze niet ter discussie worden gesteld. Er heerst een intellectuele armoede op links, die zich vooral manifesteert in de ruimte tussen de partij- en beginselprogramma’s. Ook sociaal-democraten nemen nu, vaak onbewust, aan dat de markt en de staat twee losstaande verschijnselen zijn die elkaar uitsluiten en zelfs tegengesteld aan elkaar zijn. Een gevolg van deze scheiding op conceptueel niveau is dat elke poging van de overheid om invloed uit te oefenen op economisch handelen veel te makkelijk kan worden weggezet als een marktverstorende ingreep. Bovendien kunnen privatisering, versobering van sociale voorzieningen en invoering van marktwerking in de publieke sector zo als een logische en noodzakelijke correctie op een te groot gegroeide overheidsinmenging worden gepresenteerd. Het enige wat voorstanders van een eerlijker Nederland dan nog kunnen doen, is die ingrepen verdedigen op grond van hun idealen.

Een aansprekend sociaal-democratisch alternatief voor het huidige beleid zou overheidsingrijpen echter niet moeten hoeven verdedigen. Het stellen van een eigen kader, dat de liberale aannames weerlegt, maakt het mogelijk een offensieve in plaats van defensieve rol aan te nemen in het debat. De harde scheiding die liberalen maken tussen overheid en markt is een illusie. De markt is geen natuurlijk verschijnsel dat zonder politieke besluitvorming vanzelf zou zijn ontstaan, maar kan alleen bestaan door die politieke besluitvorming. De vrije markt die de liberalen willen is daarmee slechts een van vele mogelijke combinaties van regels die door de wetgever kunnen worden gesteld. Wat zij voorstaan is niet zozeer minder regels, maar een andere combinatie van regels.

Regels moeten geen doel op zich zijn, maar het is wel tijd het debat open te gooien om zo een combinatie van regels te vinden die het best bij de door ons gestelde doelen past. Het armoedige rechtse jargon van de markt als noodzakelijk gegeven vraagt om een alternatief verhaal in nieuwe, betekenisvolle taal. De term publieke onderneming mag daarin niet ontbreken. De woorden staat, markt en bemoeienis kunnen we missen als kiespijn.