Wij nationalisten, zij wereldsceptici, ons Europa

De Europese Unie wordt vaak gepresenteerd als dé remedie tegen oorlogen in Europa. Het vormt dé doorbraak van de oude vormen en gedachten van het nationalisme en dé vrijhandelszone met grote economische wederzijdse afhankelijkheid. De unie moet voorkomen dat Frankrijk, Duitsland en de andere landen elkaar telkens weer in de haren vliegen. Een soort mini-idealistische wereldorde à la Woodrow Wilson op Europees niveau dus. Tegelijkertijd is er een machtsrealistische rechtvaardiging van de Europese Unie die buiten de grenzen van de Europese Unie reikt en stelt dat een Europese Unie nodig is om als Europa ook in de toekomst mee te kunnen blijven doen op wereldniveau in een wereld met grote (economische) machtsblokken als de VS, Rusland, China, India, Brazilië etc.

Op het kruispunt van deze twee invalshoeken van Europa ligt momenteel Oekraïne, waar wellicht de mentale buitengrens van de Europese Unie met Rusland dwars doorheen loopt. Aan de buitengrenzen van de Europese Unie viert zowel het Oost-Europese (Oekraïense) als het Russische nationalisme hoogtij. Aan de Europese oostgrens lijkt er zelfs sprake te zijn van een warm 'Euro-nationalisme' van kleine Oost-Europese landen die zich bedreigd voelen door Rusland. Blijkbaar is het 'probleem' nationalisme met de oprichting van de Europese Unie dus hooguit verplaatst naar nieuwe buitengrenzen in plaats van opgelost. Echter ook binnen West-Europa is er sprake van een herleving van nationalisme in de vorm van de politieke opkomst van 'populistische' anti-EU-partijen. Hoe kunnen we de positie van het nationalisme in Europa momenteel duiden en hoe kunnen we hier op een goede manier mee omgaan?

De nagestreefde integratie tussen landen binnen de Europese Unie is in een aantal opzichten uniek in de geschiedenis: de schaalgrootte, de éénentwintigste-eeuwse setting, de schaalvergroting van gevestigde democratieën (officieel 'van onderop', hoewel dat steeds meer omstreden is). Toch verschillen de doelen van de eurofederalisten (of 'eurofielen') in wezen niet met de doelen van de Duitse nationalisten in de negentiende eeuw: ook de Duitse staatjes onder leiding van Pruisen wilden een einde aan de 'interne' verdeeldheid en de machteloosheid ten opzichte van het Franse en Britse 'empire'. In die zin zou een buitenstaander die niet precies zou weten wat er in de twintigste eeuw gebeurd is, de geest en lijn van Bismarck herkennen in Merkels ijver om Europa meer te laten integreren, zij het nu één schaalniveau hoger. Echter, wat er in de twintigste eeuw gebeurd is, is wel degelijk relevant en wel in verschillende opzichten:

Ten eerste is daar het nationalisme, dat in de negentiende eeuw nog een emancipatoire insluitingsideologie was (tegen imperialistische mogendheden, vóór integratie van alle volkselementen in de maatschappij) verwerd in de twintigste eeuw door te weinig tegenwicht van alternatieve denkwijzen en een historisch momentum waarin het verbonden raakte met het opkomende fascistische ideaal van de totalitaire staat en sociaal-Darwinistische rassentheorieën, tot een allesoverheersende onderdrukkende uitsluitingsideologie (oorlog tegen andere naties en verraderlijke elementen in de eigen maatschappij).

Na de 'finale' in de Tweede Wereldoorlog kwam het nationalisme in diskrediet en kwam er een zwaar maatschappelijk taboe te liggen op nationalistische ideeën (denk aan de aanslag op het huis van Centrum-Democraat Hans Janmaat die aangaf niet te geloven in een multiculturele samenleving). Pas sinds de jaren negentig beleeft het nationalisme een comeback in de vorm van rechts-populistische partijen die overal in Europa aan populariteit winnen, in Nederland pas sinds Pim Fortuyn in 2002. Dit hernieuwde nationalisme heeft nog lang niet zijn salonfähigheit van de negentiende eeuw teruggewonnen maar is wel hard op weg om zijn politieke invloed te vergroten en heeft zich opnieuw verbonden met de democratie in de strijd tegen de 'EU-dictatuur'.

Ten derde en tegelijk met het maatschappelijke taboe op nationalistische ideeën werd er door elites in Europa een project in gang gezet dat vandaag de dag geleid heeft tot een Europese vlag, een Europees volkslied, een Europese munt en het begin van een Europese regering - kortom een proces van Europese natievorming dat de schijn heeft het voorbeeld te volgen van negentiende-eeuwse natievorming.

Het is ironisch dat zowel de voorstanders als tegenstanders van meer Europese één-wording zich bedienen van middelen die nation building tot gevolg hebben, zij het op een andere schaalgrootte. Eurofederalisten, die roepen dat zonder de Europese superstaat met één grondwet en één regering een nieuwe oorlog binnen Europa dreigt, willen het ene nationalisme begraven door een ander nationalisme te stimuleren. Vuur met vuur bestrijden noem ik dat. Zeventig jaar na de ondergang van het nationaal-socialisme, de geperverteerde vorm van het nationalisme, kunnen we concluderen dat het nationalisme allerminst verdwenen is. Daarvoor is het nationalistische frame, dat onze gedachten en ons handelen stuurt blijkbaar te hardnekkig, zowel bij vóór als tegenstanders van de Europese Unie.

Er is eigenlijk maar één verklaring voor het blijvende succes van nationalisme: het universele principe van in- en uitsluiting bij een politiek proces dat aan de basis ervan ligt. Ook 'Europese Unie' betekent in feite 'dikke middelvinger naar iedereen die niet-Europees is'. Gesuggereerd wordt dat de Europese identiteit de meest relevante is om ons politiek op de organiseren. Echter, wie grenzen trekt schept grensgevallen. Want zijn Griekenland en Roemenië ons belastinggeld wel waard met hun hoge mate van corruptie? Had Groot-Brittannië wel lid moeten worden met zijn eilandische hang naar autonomie? Waarom hadden we Oekraïne nog niet ingesloten als 'garantie' tegen 'Russische agressie'? Vanwege de aanwezigheid van een grote Russische minderheid misschien? Of omdat Rusland zelf geen lid mag worden van de Europese Unie, maar we Rusland nu ook weer niet helemaal willen omsingelen? Waarom mag/wil Rusland eigenlijk geen lid worden? En hoe zit het met Turkije, met zijn Europees-Aziatische grenscultuur? En waarom moet eigenlijk 'Europa' een vrij willekeurig continent de grens zijn voor onze organisatie met wereldwijde idealistische aspiraties als 'geen oorlog' en 'vrijhandel'? Waarom zou ook niet Marokko op den duur mee mogen doen?

Een wereldgeloof of een idealistisch politiek project, waarvan de Europese Unie als vredes- en welvaartsorganisatie zeker genoeg kenmerken en rechtvaardigingen heeft, is meer waarachtig wanneer het welwillende mensen insluit, anders doet het afbreuk aan de universele waarden die het zegt te promoten. Het is dus niet verwonderlijk dat kosmopolitische aanhangers van het Europese project zich tegen Nederlands, Frans of Duits nationalisme keren. Wie reëel is, ziet echter dat ook de Europese Unie grenzen stelt. Op Nederlands niveau is dit niet anders.  De Griekse wijsgeer Aristoteles onderscheidde regeringsvormen in een 'goede' en een 'kwade' variant: de kwade variant van een monarchie is een dictatuur, de kwade variant van een aristocratie een oligarchie en de kwade variant van een 'isocratie' (wat wij 'democratie' zouden noemen) is een 'democratie' (wat wij 'populisme' zouden noemen). In plaats van een volledig taboe op nationalisme, dat in hoogopgeleide kringen vaak merkbaar is, zou een Aristotelische tweedeling wellicht beter zijn: de goede kant van nationalisme is democratische gemeenschapszin, en de kwade kant is nationaal-socialisme oftewel agressieve uitsluiting. Willen eurosceptici en eurofederalisten tot een vruchtbare discussie met elkaar komen, dan zal de eerste groep moeten erkennen dat het Nederlandse niveau niet in alle situaties het relevante in- en uitsluitingsniveau voor politieke besluitvorming is - denk aan milieuproblematiek en criminaliteit. De tweede groep moet inzien dat nationalisme niet vies is, maar in feite op dezelfde scepsis stoelt waarmee Eurofederalisten de rest van de wereld buiten de Europese Unie houden. Federalisten zijn in feite dan ook 'wereldsceptici’. Op die manier kunnen we spanningen rond alle grenzen binnen Europa en aan de grenzen van Europa tot een minimum beperken.